Verleden verborgen

Arnold Sandhaus

Uit het gesprekje dat de heer des buitenhuizes in de tuin met Anne voerde maakte ik op dat het met dit huis heel anders zit dan Anne in haar boek beschrijft. Goddank, haar roman is dus niet geheel en al autobio. Daar was ik even bang voor, en deze ontdekking geeft m’n dag een extra vrolijke tint.  
We torren richting dijk. Wat is deze streek toch prachtig! Als je van de dijk afdaalt betreed je een windstil gebied, een andere wereld. Wat is mooier dan daar gezellig te picknicken en wat te babbelen; althans zo leek het me enkele dagen tevoren. Maar ik voel dat deze dag een andere loop gaat nemen en daar word ik steeds benieuwder naar. 
Een zwerm vogels scheert over, het beeld van de uiterwaarden completerend. “Dat zijn er gauw tachtig”. Op mijn verbaasde blik voegt Anne er aan toe dat haar vader, groot natuurvriend, de vogelstand bijhield; als ze met hem op pad was stonden ze soms samen, elk met zijn eigen systeem, zo’n zwerm te tellen. Wat heb ik genoten van vogelzwermen die ik zag overkomen in het destijds volkomen verwaarloosde, en dus uiterst aangename, haventje van Eemnes. Gefascineerd keek ik naar de wonderbaarlijke bewegingen die zo’n zwerm uitvoerde. Behalve de prachtige lijnen en onverwachte wendingen van de vlucht zelf, voerde de groep als geheel ook bewegingen uit. Soms balden ze zich dreigend samen, klaar om zich op iets te storten, dan breidden ze zich weer uit als een vlakke wolk en tenslotte streken ze over elkaar buitelend neer. Dan pas realiseerde je je dat het allemaal enkele vogels waren die deze danse macabre als “één man” hadden uitgevoerd. Bij de gedachte dat iemand op zo’n moment de impuls krijgt ze te gaan tellen schiet ik vreselijk in de lach. Gelukkig weet ik dat Anne niet beledigd zal zijn en dat is ook zo.

De dijk, vroeger een weg als elke andere, is ondertussen een fietsparadijs geworden waar je als automobilist een soort illegale wanklank bent. Nu zijn de Jan Jansens en Anquetils hier king of the road. We trekken ons er niets van aan. Het is ook onze dijk. Het meest vertrouwde deel – we naderen ondertussen Tiel – is nu uitsluitend voor “bestemmingsverkeer”. Gelukkig zijn we dat: Tiel is onze bestemming. En voor de plaatselijke veldwachter die ons dadelijk gaat aanhouden, bedenken we dat we een huisje zoeken dat hier te koop moet staan. Zo blijven we ook nog in de sfeer van Anne’s roman. 
Het Inundatiekanaal komt in zicht. Het luidt het onverbiddelijk einde van de dijkrit in. Hier heeft de fietser de laatste slag gewonnen; niet eens bestemmingsverkeer komt er nog aan te pas. We dalen af en komen langs de plaats waar Anne destijds helling trok, terwijl ik de eerste steen van het dierenasyl legde. Nou ja, weer met een paar jaren ertussen dan. Een vriendje hield het bakje specie vast, ik mocht de steen leggen. Stom hoor, ik had me zo voorgenomen hem op de naad van de twee onderliggende stenen te leggen, maar in mijn zenuwen zette ik hem toch recht bovenop een andere steen. De metselaar heeft hem later goed gelegd, zei m’n moeder, het was niet erg. Maar toch lag die steen nu niet meer zoals ik hem had gelegd. 
Onder langs de dijk stoten we door, de Kwelkade op. M’n ouderlijk huis, nummer 1. Het is grotendeels ontdaan van zijn tuin die vroeger van deze plek het veilige oord maakte waar ik met de vele dieren speelde die we hadden. Bij de achterdeur laat ik Anne de vertrouwde stenen voelen die zomers warm waren en die nog hun kuiltjes hebben van de vele voetstappen. 
Dan rijd je nu vlak langs het zijraam over een soort snelweg, zo naar de Waal, dwars door de oude dijk heen. Het heeft iets schaamteloos. Parkeren. Munt in de meter. En ondertussen zijn we aan elkaar gewaagd en stappen Tiel in. Eindelijk koffie op het centrale terras. We besluiten even goed in de gaten te houden hoe het tegenwoordig toegaat in Tiel. Anne maakt zich zorgen over de felle zon die straks een rode vlinder op haar gezicht gaat toveren. Ze zal er even wat op gaan doen,  iets wits, een soort kwark. Ik lach bij voorbaat, want ik zie haar ervoor aan om doodgemoedereerd met een hele witte snuit terug te komen. Aan gegrinnik en geroezemoes achter me hoor ik dat Anne het terras weer op komt. Het enige dat er op zit is haar ook even die tube te vragen. Zo verzorgen we tenminste samen de vrolijke noot in Tiel. 
Via de Weerstraat terug naar de auto. In de Kleibergesestraat staat nog de buitenkant van de ijswinkel van de heer van Dalen. Toen had je alleen vanilleijs, maar wel heel lekker. Later bedierf Gerwi zijn handel met meerdere smaken.
In Tiel moet je nu berekenen van welke straten ze ondertussen éénrichtingsverkeer gemaakt zullen hebben. Toch slagen we erin de Konijnenwal in te slaan; daar woonde Tineke waarmee ik hand in hand naar de allereerste dag op Pa Wage’s A1-school wandelde. Wat was het leven toen ongecompliceerd. De Gustav Adolf staat te koop. Er kijkt een Pool, rijp voor het meldpunt, uit het raam. Schoolfeesten hadden we hier – het leven werd al iets gecompliceerder – waar je door een leraar op de schouder werd geklopt als je te close danste.
“Hier ergens woont John van Buren”. Zie je, ik wist toch dat deze dag nog wat onverwachts in petto had. Hij móet gewoon thuis zijn. Kort geleden had ik een oude foto teruggevonden waar we op een zeilboot poseren met onze dixielandband. Terwijl ik het doorgaande verkeer blokkeer en Anne naar een vrouw snelt die in de deuropening van de zon geniet, vraag ik me af of ik haar straks zal durven vragen wat me op het hart ligt. Iets over Sophie. Of toch over Anne? 
Wordt vervolgd.
 

2 thoughts on “Verleden verborgen

  1. minke nas

    spannend, wat is de vraag en hoe lang moet ik wachten op het antwoord?
    Ik wil het boek, NU!

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *