Genius Loci

Arnold wist altijd leuke plekjes in de Betuwe, maar waar ooit de boterbloemen bloeiden, staat nu heel wat anders. ,,Dit was altijd een leuk plekje.” Het inwendig knorren wordt zo uitwendig dat hij stopt, ergens naast een dijk bij een hek met schapen, zo’n plek die niet bedorven kan worden. Met zijn 9 voor gymnastiek, we weten nu de in het oog springende details, springt hij soepel over het manshoge prikkeldraad, tussen de schapen vindt hij het niks. Ik klim via de sporten over het hek, niks mis met schapen. Aan de andere kant van de dijk is niets dan straffe wind en star water, het Amsterdam-Rijnkanaal. Dat wordt hem niet.
Het Zoelse Bos zijn we al voorbij, het Zilverbos ligt ergens anders, een bos wordt het niet. Ik wil aan mijn boterham, gezellig in de warme auto met Arnold aan het stuur, maar hij houdt er romantische ideeën op na en daarbij past een broodje auto niet. Hij weet heus wel een leuk plekje in de Betuwe, die we echter allengs achter ons laten. ,,Bij de pont weet ik nog een leuk plekje, daar ga ik bijna dagelijks over.” Dat zal er dan nog wel zijn, en zal ook moeten, anders staan we straks op dat vermaledijde station van Geldermalsen zonder aan het boek begonnen te zijn. Moeten we naar de volgende locatie en die is 700 kilometer verderop. Dat wordt nachtwerk.
Hij remt, wendt en staat alweer fenomenaal ingeparkeerd, pal bij de pont naar Wijk bij Duurstede.
,,Daar woont prinses Irene.” De relatie met mijn boek is zoek. We zijn op Arnolds terrein. Eerst die kast van een geboortehuis, nu weer een prinses. Hij staat al buiten in de frisse wind, achterklep open en haalt er een bruine deken uit en de fles Apfelschorle. Zijn aandeel in de picknick. Ik pak mijn paardenbuideltje, formaat portemonnee, waar de rest van de picknick uit zal moeten komen.
,,Waar gaan we zitten? Ik heb een deken van een echte lama.”
Toe maar. Ik zie de Lama al op het kleedje, een hechte bodem onder zijn woord waar ik onderhand zenuwachtig voor ben en dan nog die picknick waar ik minstens zo zenuwachtig van ben.  Om zelf ook nog enige richting te geven, wijs ik naar de molen.
,,Daar bij die molen lijkt me leuk.”
,,Wil je zwemmen?”
Vanuit mijn positie is de positie van die wieken gezichtsbedrog. Een zinsbegoochelend voorteken. We steken de weg over naar het volgende hek, een volle graad moeilijker dan de vorige, er zit gaas voor de spijlen. Terwijl ik stuntel, loodzware picknickbuidel ook nog in de hand, zwaait Arnold er overheen of het de rekstok is. Hij is hier thuis. Drie kleine paardjes schieten mij te hulp met het afleiden van zijn aandacht. We zakken af naar de oever van de rivier de Rijn dan wel Lek, alweer zo’n ambigu voorteken van de plaatselijke geest. Het tafereel van station Geldermasen herhaalt zich spiegelbeeldig. Ditmaal is het Arnold die flierenfluitend fluks voor me uit rent, om telkens aarzelend stil te staan. Hij weet niet waar de deken moet. Want ja, als dat ding eenmaal ergens ligt, moeten wij erop. Het strandje is erg klein, formaat luchtbed en ik ben nog niet geincarneerd in de gegeven omstandigheid en blijf hoopvol wijzen naar de molen in de verte, dan maar een rivier ertussen. Op onze uiteenlopende laarzen banjeren we naar de krib die voorzien is van een prikkeldraadhek tegen ontsnapping. Arnold weet nu wel dat ik daarin blijf steken. Dit is de plek, hier moet de Lamadeken komen te liggen en wij erop.
Het is ineens wel erg picknickachtig, zoals de eerste keer met je vrijer, als je nog zenuwachtig bent voor de dingen die gaan gebeuren, later eet je die zak patat gewoon in de auto. Op kamp is het weer heel gewoon, met zijn allen op de picknickdeken. Hier is niemand. Ja, Arnold. Een kievit scheert langs en roept zichzelf ‘kiwiet!’
Daar zitten we dan op de Lamadeken met een fles Apfelschorle, die klinkt zoals hij smaakt. Ik leeg mijn buideltje, onvoorstelbaar wat ik eruit tover. Twee giga appels, twee broodjes gezond, twee notenbroodjes, twee  fruitrepen, een flesje water, drie servetjes ook nog. Alsof ik wist dat het met ons geen brunch, lunch, diner in een 3-sterrentent zou worden. Arnold is niet van de fruitrepen en notenbroden, hij moet het doen met de geitenkaas, die hij dus lekker vindt, anders krijgt hij niks. Vervolgens is hij gek op onbespoten appels, die wij luidruchtig met schil en al afhappen, hij recht, ik rond.
Dan is er echt niets dat ons nog kan afhouden van het boek. Ter voorbereiding kijken we een seconde naar elkaar. Prrrring! Mijn mobiel. Man heeft de boontjes opstaan. Klokke zes. Dat gesprek is toch wel klaar? Man is altijd binnen een kwartier klaar met elk gesprek, student of minister. Zit vrouw vast op een station? Maastricht? Groningen? Man kent mijn gevoel voor richting en is bij de tijd als immer. ,,Waar ben je? Wat doe je?”
,,Ik lig hier in mijn nakie op te drogen naast Arnold, we hebben net gezwommen in de Rijn.” Man gelooft het ook nog. Intussen is Arnold aan het bellen met vrouw dat hij vanavond veel brood wil met heel veel gebakken spek en ei en ham en kaas en ketchup en mosterd. Man komt intussen met gouden tip, zoals alleen man met geografisch geheugen dat kan. ,,Geldermalsen zijn jullie voorbij, hij moet je naar Utrecht brengen, daar is je treinkaartje ook geldig.”
Na deze korte, doch vervreemdende interruptie, kijken wij elkaar aan als gezworen kameraden in de jungle vol slangenkuilen en bazooka’s, waar het thuisfront geen weet van heeft, en maar goed ook, ze zouden geen oog dicht doen.
,,Dat boek is goed, niets meer aan doen, ik heb het in een adem uitgelezen.”
Kan het even in de herhaling?
,,Nou ja, een vraag houdt mij wel bezig, het hele boek door eigenlijk.” Ik houd mijn adem in. Hij ook.
,,Ik vraag me voortdurend af wat nu eigenlijk de aantrekkingskracht is van Otto en Sophie.”
Typisch een mannenvraag. Die letten niet op intrinsiek mysterie, al zet je dat ten overvloede koeienvet in de titel. Hij is het boek zo ingedoken.  Wat geeft het of hij Otto is en ik Sophie en wat de aantrekkingskracht precies is, daar is geen lezer in geinteresseerd. Goed dat we een hele dag op pad zijn geweest in het kielzog van de Genius Loci, de onderstroom van alles wat gebeurt.
Een boot vaart langs, stroomopwaarts, de golfslag spoelt aan onze voeten.

3 thoughts on “Genius Loci

  1. Kees Versluis

    Ik vind dat rennen van jullie zo leuk. Herkenbaar. En: “Hier is niemand. Ja Arnold.”

    Weet je waar me dat aan doet denken? Toon Hermans over Sinterklaas. Hij heeft het dan over de buurkinderen waar de treintjes door de huiskamer liepen. “Bij ons liep niets door de kamer. Ja, wijzelf’. Ik heb een hekel aan die man.”

    Al die plekjes die je beschrijft ken ik bijna allemaal. En het mooiste zag ik pas vanaf het water. Toen ik de Utrechtse Heuvelrug zag terwijl ik naar Arnhem voer. Zo ontzettend mooi.

    Nog zo’n plekje waar je nu niet bent geweest: Het Veerhuis in Wamel, daar voel je je meteen thuis.

    Anne, je hebt een bijzondere humor die ik zeer waardeer.

    Reply
  2. John van Buren

    Hoi Anne,

    Vanmiddag voor het eerst tijd gehad je blog te lezen. Fascinerend. Geschreven met de gedrevenheid van een achttienjarige. Ja, denk ik dan, overal is het juiste genenpakket voor nodig. Ga het voortaan volgen en vanavond zal ik het Rijntje laten zien.

    Hele hartelijke groet,

    John

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *