Op weg naar het Fichtelgebergte – verwacht het onverwachte

Door de uiterst voordelige last minute verwachten wij volop parkeergelegenheid bij het Fletcherhotel. Staat de parkeerplaats vol witte busjes. Is binnen is een kerstborrel gaande. Ook last minute. Het is nog steeds 19 december en het personeel is druk met stressen. Het hele gebouw staat op zijn kop. De gang staat vol dozen met kerstpakketten. Wij worden weggezet in de leeshoek waar geen krant of tijdschrift te bekennen is. De leestafelstoelen zijn in gebruik in de eetzaal die in de gauwigheid dient als feestzaal, in de aangesleepte slaapkamerstoelen zakken wij met onze neus op tafel.
De Beerenburger is op, al improviserend wordt een of ander raar flesje opgedoken onder de tap en uitgewrongen in onze glazen. Dat kost de nodige tijd en voor wij met alles in de hand de trap op zijn, de gang door en onze slaapkamerdeur open hebben met een eigenaardig pasje, is de koffie koud en het uitgewrongen drankje een goor bittertje, goed dat er maar één slok uit de fles geperst kon worden.

Intussen zit de kok ook met al dat onverwachte. Er mogen dan busladingen vol gasten zijn, maar die drinken alleen maar, en wel in de eetzaal, terwijl hij het diner voor de twee last minute gasten klokke 7 klaar heeft, maar geen tafel om het op te dienen. Zijn soep kookt over, de vloer moet gedweild, de beetgare boontjes hoeven alleen nog maar van een groentenwikkeltje voorzien te worden. Waar moet dat heen?

De beide gasten staan intussen voor een zenuwachtige ober. De feestgangers feesten en hij krijgt ze niet weg en wil ook graag de drank op zijn blad aan ze kwijt. Een aangeschoten dienster leidt ons langs de onaangeroerde kerstpakketten naar een somber lokaaltje met gebrek aan licht, kleur, fleur en warmte. De dienster begrijpt niets van onze bibbers, zij gloeit van opvlieger vermenigvuldigd met stress.

Op de valreep heeft de kok dankzij een maggiblokje toch nog iets weten te brouwen dat kan doorgaan voor een lichte soep, zeer licht. Maar dan komt het ware viersterrenkokswerk, een groenteschilderij, de omwikkelde boontjes zijn precies van de juiste beetgare knapperigheid, de rest is niet te zien wat het is, zo sierlijk zijn de oranje torentjes en groene blokjes, met dwars over het bord een rode streep van bietensap of bloed. Het smaakt naar sterren en het toetje is hemels. De kok is top.

Min of meer verzadigd kijken wij nog wat tv, zo’n kleine Dik Trom waar je een verrekijker bij nodig hebt.  Onze ogen vallen dicht van het knijpen. We zijn klaar voor de nachtrust. Tot ons geluk laten de dikke gordijnen geen ster door, de kamer is donker als de nacht. Wij kunnen in slaap vallen.
Halverwege de val begint het te loeien. Ergens.
Gealarmeerd knipt Kees het grote licht aan, moppert het bed uit en zoekt de loei. Wat hij ook trekt en duwt, de loei gaat door.
‘Denk je dat je een viersterrenhotel hebt, gaan ze vuurwerk uittesten onder ons raam.’
Stem en stamp gevoegd bij loei helpen mij uit de droom. Krijg Kees maar eens kalm als hij niet kalm is. Kom maar weer eens in slaap…

Op dat moment komt er een loei onder de loei. Bijna biologerend. Zoiets hoor je in geen enkele stal, geen Bethlehem, geen bed ook. Laag en lager wisselen elkaar af, vermengen zich, gaan uit elkaar, door elkaar, achter elkaar, om en om, vraag en antwoord. Zoiets heb ik nog nooit gehoord desalniettemin weet ik het ineens.
‘Midwinterhoorns!’
‘Wat hoor jij!?!!’
Ogenblikkelijk openbaart zich het geheim van het gesprek. Hoe intenser de toehoorder luistert met oren op steeltjes, hoe verder de gedachten van de spreker opgerekt worden tot in de diepste krochten van het Grote Onbewuste.

‘Midwinterhoorns zijn hoorns zo groot dat geen man ze dragen kan. Die hoorn hangt thuis in het Twentse trappenhuis en wordt eens per jaar van de muur gehaald op een moment dat niemand het ziet, in het pikkedonkerst van het jaar, want het is geen gezicht zo’n kantoorman met zo’n enorme hoorn voor zich uit. Zijn vrouw maakt hij wijs dat hij de boze geesten gaat verjagen. Hij zoekt een plek waar iedereen hem wel hoort maar niet ziet, een boomtop of een heuvel. Daar zet hij de hoorn aan de mond en blaast stoom af. Het is nog een hele kunst om geluid uit zo’n hoorn te krijgen, daarbij vergeleken is een didgeridoo kinderspel. Met een beetje geluk komen er nog meer blazers.’
‘Meen je dat nou?’
Ter bevestiging komt de derde loei er donker onderdoor. Man is overtuigd en komt terug in bed.
De kunststof dekbedden verstikken ons en het kussen is van het onbuigzame soort. Gelukkig zijn daar de midwinterhoorns. Want dat is het onverwachte, zodra je weet dat het een oud gebruik is en dat er rondom aandoenlijk stoere Twentse mannen op heuvels staan te blazen op hun gekoesterde midwinterhoorn, glijd je in een ver verleden vervuld van vrede.

18 thoughts on “Op weg naar het Fichtelgebergte – verwacht het onverwachte

  1. Jannie Harmsen

    Oren op steeltjes! Zie het echt voor me……..ik geniet van jouw beeldspraak – beeldschrift!
    Heerlijk!

    Reply
  2. Marjolein

    O ja, inderdaad, de midwinterhoornblazers in Twente!
    Dat dat gebeurt in het eens zo godvrezende Rijssen is op zich wel bijzonder; vroeger hoorde je het vooral diep in het Twentse, waar een telefoonkabel een kuierdraadje heet (omdat een praatje maken daar ‘kuieren’ heet).
    Wat een herinneringen aan mijn Twentse jaren, met krentenwegge en boer’njong’s, aan al het moois uit die tijd.
    Voor jullie wat minder, maar je moet in Twente ook niet om Friese drankjes als beer’nburg vragen, maar om een Jägermeister. Dat spul kent ze gewoon 😉

    Dank, Anne! Ik geniet nog 🙂

    Reply
    1. Anne Post author

      Wat leuk dat jij die midwinterhoorns kent Marjolein.
      En kuierdraadje… treffend.
      O, Jägermeister, misschien was dat zoetbittere goedje wel het laatste restje… 😉
      En krentenwegge was er bij het ontbijt, om je vingers bij op te eten.

      Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *