Schrijfretraite in Duitsland – bijtende hond (1)

onze auto op ons weggetje op de berg

We komen aan rond kwart voor vijf. Het is december, de dagen zijn nog aan het korten en de nachten aan het lengen, dus is het tegen vijven bijna donker. Waltraud, onze buurvrouw, vindt dat we laat zijn, dus zeggen wij niet dat we ook nog van een hotel aan de grens komen en al helemaal niet dat we 60 kilometer zijn omgereden om te kijken of Bad Driberg het dorp is waar we afgelopen zomer gezellig de nacht doorbrachten toen we door het stoppen van onze bron noodgedwongen eerder naar huis gingen. Kortom, we beginnen deze schrijfretraite nogal stil, wat Waltraud de gelegenheid geeft des te meer aan het woord te komen.

Waltraud
Waltraud

Ze komt los aan haar keukentafel. Ze is gebeten door een hond van de nieuwe buren een kilometer verderop; we zitten hier op een berg en daar zijn buren dun gezaaid. De hond liep vrij rond en Waltraud ook. Toen ze elkaar tegen het lijf liepen, beet de hond in haar dijbeen. Met enige trots vertelt ze dat ze instinctief wist hoe ze zich van de hond moest afwenden, zodat hij haar niet in het kruis beet. Het volgende geluk bij dit ongeluk was dat ze als altijd haar spijkerbroek aan had en dat de hond moeite met de stof had en niet dwars door haar vel beet. Toch deed het pijn en toch klom ze de berg op naar het huis van de nieuwe buren. De man zei dat de hond dat nooit doet, mensen bijten, in plaats dat hij vroeg of het pijn deed en of hij iets kon doen. Het kwam al helemaal niet in hem op zijn hond bij zich te houden, aan te lijnen en te muilkorven.

Op een berg is zo’n bericht er eentje waar je de hele avond mee vooruit kunt. De feiten worden van alle kanten bekeken, waarbij ook de mogelijkheden die hadden kunnen gebeuren stuk voor stuk de revue passeren. Binnen het eerste kwartier zijn we bij het volgende geluk: dat Waltraud haar kleinkinderen niet mee had, die rennen altijd twintig meter voor haar uit. Als de hond hen tegen het lijf gelopen was, hadden hun handjes eraf kunnen zijn, hun neus, oren, hele hoofd.
Deze voorstelling maakt het gegeven van de bijtende hond hoe langer hoe gevaarlijker, temeer daar wij tussen Waltraud en de hond wonen. Terloops vertelt ze dat de hond de buurvrouw van het gele huis ook heeft aangevallen.
Kortom, een agressieve hond.

Zijn wij nauwelijks een halfuur op de berg, zit de angst voor wilde dieren er al flink in. Niet voor de vossen, marters, iltisj, wasberen, dassen, wolven en adders, die zijn er allemaal, maar die zijn zichzelf en dus niet vals. Die gedragen zich naar hun aard en in de natuur valt een dier geen mens aan. ‘Wilde’ dieren zijn banger voor ons dan wij voor hen, hun zintuigen zijn scherper, ze hebben ons eerder in de smiezen dan wij hen en geen van hen heeft ooit iemand op de berg aangevallen. Dit in tegenstelling tot deze valse hond die aan ons pad woont, het pad dat wij dagelijks lopen.

,,Heb je wel aangifte gedaan?’’
Dat heeft Waltraud niet en nu is het verlopen volgens haar. Ze is wel naar de burgemeester geweest, maar die kan niets doen zolang er geen aangifte gedaan is en dat had gemoeten in Bayreuth, zesentwintig kilometer verderop. Hier komt de gunstige kant van traditioneel wonen in Duitsland naar voren: het Dreifamilienhaus, grote huizen met drie woningen erin. Inpandige zoon Bernd en schoonzoon Sigurd snelden meteen naar de buren met hun gevaarlijke hond om te eisen dat de hond gemuilkorfd werd. Of dat gebeurd is, weet niemand. Wel is nu bekend dat de hond uit het asiel komt en dat de buren nooit eerder een hond hadden en deze hond pas twee weken. Ze zitten met hem op les, maar kunnen hem nog niet aan.

In gebieden waar radio, tv en internet op een laag pitje staan ofwel uitgeschakeld zijn, is dit stof voor uren emoties oprakelen en ophitsen, zoals:
– die hond moet een muilkorf
– die hond moet terug naar het asiel
en als het bier nog wat rijkelijker gevloeid heeft:
– die hond-met-zijn-vlijmscherpe-tanden moet kennismaken met het vlijmscherpe koksmes van Bernd
Ofwel, de visualisaties en strafmaatregelen worden hoe langer hoe bloeddorstiger en ook Waltraud moet aan de bak, ze moet naar Bayreuth om alsnog de buren aan de galg te hangen.

Als Kees en ik eindelijk in ons huisje zijn waar de temperatuur 7 graden is, stoken we de houtkachel op èn onze emoties, tot we gloeien.

onze houtkachel
onze houtkachel

Dat is het interessante van wonen op een berg: je maakt je eigen avonturen en die worden met de keer dat je ze vertelt spannender, gekker, bloeddorstiger dan wel sappiger en grappiger.

Dat weet ik ook nog van ‘vroeger’, van ome Nol, toen wij nog lang geen tv hadden. Ome Nol zat op een bus en hij beleefde van alles met deze bus. Dat vertelde hij vers van de pers. De volgende keer vroegen wij of hoefden het vaak niet eens te vragen, of hij het nog een keer kon vertellen. In de tussentijd was het verhaal enorm gegroeid en lachten wij ons slap om alles wat we al wisten, maar wat nog veel sterker verteld werd. Zo ontwikkelde zo’n verhaal zich in de loop der tijden tot een cabaratesk nummer dat je de eerstvolgende keer als verzoeknummer aanvroeg.
,,Vertel nog eens van die tegenligger die zo strak langs reed dat er geen krant tussen kon.’’

Zo zijn sprookjes en sagen en mythen en verhalen over Boeddha en Mohammed en Jezus ook gegroeid tot ze bijna niet meer geloofwaardig waren en opgeschreven werden en nageleefd door schriftgeleerden die er nooit meer vanaf wijken en in hun voetspoor gaan de fanatici door tot de dood erop volgt.

In onderhavig geval lopen baas en hond de volgende dag braaf langs ons huisje, aangelijnd en gemuilkorfd.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *