Kat in het donker

De nacht valt tegenwoordig als een baksteen. Je gaat de winkel in met licht, je komt eruit in het donker. De weg naar mijn huis voert door een park en daar is het nog donkerder. Ik ben zo stom om lopend naar de winkel te gaan omdat ik dan de paraplu mee kan nemen. Loop ik daar in het donker met paraplu zonder sneeuw. Het heeft wel gesneeuwd, maar dat was natte sneeuw, dus het is een soort langlaufen in het donker. Gelukkig is de rest van de wereld liever lui dan moe en doet boodschappen met de auto en de schoolkinderen zijn allang onder de pannen. Ik heb het park voor mij alleen.
Hoor ik ineens vreemd gekraak en geknisper. Een gestalte verdwijnt achter een boom. Het is 5 december, maar Zwarte Piet geloof ik niet en Sinterklaas evenmin. Maak dat de kat wijs. Ik langlauf moedig door, zo van, ik loop hier, ik hoor hier, niemand doet mij wat, zeker geen nachtelijke figuren achter een boom. Ik heb de plu stevig ter hand. In huis mag je geen inbrekers tegen de vlakte slaan, maar volgens mij mag dat buiten wel.
‘Psspsspss.’
Dat klinkt als het lokken van een poes. Ik ben geen poes.
‘Poespoespoespoespoes!’
Een vrouwenstem. O nee hè, het zal mijn hippie toch niet zijn? Heb ik net een week op de hippiepoezen gepast, zijn ze uitgerekend vandaag er vandoor nu de hippies terug zijn uit Parijs.
‘Poespoespoespoes!’
Ik stap de bosjes in. Is het mijn andere buuf en buuf schrikt zich het apezuur van gedaante met wapenstok. Ze laat poezenmand en poezenbrokjes vallen.
‘Ha buuf!’
‘Anne! Wat doe jij hier in het donker?’
Alsof zij er wel in mag en ik niet.
‘Rooie is al een week weg en vannacht gaat het sneeuwen en wij zouden het weekend weg en dus zoek ik hem voor hij helemaal nooit meer thuis komt.’
‘Ik dacht dat ik hem gisteren nog bij ons in de tuin zag, maar misschien was het een van de hippiekatten.’
‘Die hebben toch geen rooie?’
‘Hij vloog er vandoor en ‘s nachts zijn alle katjes grauw. Ik wist niet dat Rooie weg was?’
‘Ik zoek hem de hele week al en kom de gekste mensen tegen.’
‘Dankje.’
Buuf schiet in de lach.
‘Eergisteren klom ik over een hek aan de andere kant van het park, want daar hoorde ik een kat miauwen en ik hoopte dat het Rooie was. Dat hek was echter net wat te hoog en te puntig en ik kwam er niet overheen. Kwamen er een paar van die jonge meiden langs en die zagen mij hangen. Zij giechelen. Ik riep Rooie en psspsspss en daar kwamen die meiden. Zij over dat hek met die korte rokjes en lange benen. Na tien minuten kwamen ze terug met een blazende, bijtende kat, was het een zwarte. En gisteren had ik sjans met een zwerver, compleet met fles wijn, hij lag op een voddige krant op dat bankje even verderop om de bocht. Hij hoorde mij roepen en vooral dat psspsspss. Hij keek op en zei dat hij een rooie kater gezien had, een wilde met een rat in de bek. Die rooit het hier wel, zei hij, ratten zat, en ging verder maffen. Door Rooie zie ik Hoorn van een andere kant, maar nou ben ik wel bang dat hij liever vrij is dan bij mij.’
Ter troost sla ik buuf op de schouders. Ze krijgt prompt de geest.
‘Morgen moet ik op school verschijnen als surprise op het sinterklaasfeest. Ik had nog niks leuks bedacht, want het is voor de groten. Maar nou weet ik het ineens. Ik neem Rooies kattenmand mee en zijn doos met brokken en dan vertel ik van mijn zoektocht in het donker en alle ontmoetingen en ik weet nu ook wat ik uitdeel: chocolademuizen!’
Op wonderlijke wijze is Rooie bij buuf terug. Als dat geen surprise is.

Anne Vellinga, pentekening

4 thoughts on “Kat in het donker

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *