Leven na de dood

De dagen gaan gewoon door, de zon, de wind, de kou, het verkeer. Mijn lichaam gaat door, hart, nieren, longen, maag en darm. De poezen miauwen, ze willen eten. De eenden kwaken. Waar blijft het brood. Alles doet het. Het voelt anders. John is er niet meer. Toen ik zes was wou ik met hem trouwen. Dan was mijn man nu dood.
Om 9 uur komt mijn vriendin me halen. We gaan vandaag naar Karen van Deuren, spelen met kleur, geinspireerd op Hundertwasser, heerlijke Hundertwasser die niet tegen rechte lijnen kon en kleur aan het leven gaf. De doodsaaie huizen van Wenen fleurde hij op met kleur rond de ramen zover de arm van de bewoners reikte. Dat willen wij ook. Onze vensters opfleuren. De zinnen verzetten. Ik heb even helemaal genoeg van de dood.
Karen staat voor haar huis bellen te blazen of ze Hundertwasser zelf is. Wij krijgen ook zeepsop en een blaasring. Zo staan wij Hundertwasser leven in te blazen om kwart over 9 in de kou in veel te korte autojasjes met honderden waterbellen die dansen en zweven door de straat, uit elkaar spattend voor ze ver zijn gekomen. Niks aan de hand, gewoon weer indopen en nieuwe bellen blazen. De  toon is gezet, de stemming komt erin, we gaan door tot ijskoude vingers en tenen.
Binnen heeft Karen er ook alles aan gedaan. Links staat de keukentafel vol potjes kleur en papier, kwasten en water, rechts staat de tafel vol koffie en thee en warme appeltaart en slagroom. Daarbij heeft Karen een DVD aanstaan met haardvuur. Ze lacht ‘niet moeilijk doen, ideeën loslaten, gaan en genieten.’
Wat willen we nog meer.
De bel gaat. De laatste vrouw komt binnen, lijkbleek, zo bleek dat stilte valt. Wij kijken geschrokken toe hoe ze als een lappenpop zakt in de gereedstaande stoel. Karen komt snel met de EHBO, koffie, taart, slagroom.
‘Ik weet niet of ik blijf schilderen. Mijn zus is van het weekend overleden.’
Koudvuur knettert van het scherm.
‘Het is zoveel, zo veelteveel teveel. Mijn broer heeft ook net de uitslag binnen. Agressieve kanker en het is niet bekend of het behandelbaar is.’
Een lepeltje tikt tegen een schoteltje.
‘Ik ben moe en verward, nog te moe om te praten, te zitten, te liggen.’ Ze kijkt op van haar schoot. ‘Het was ook nog Sinterklaas met de kinderen en toen vergat ik mijn zus even….’
Donkerbonte kleuren van verdriet, verwarring, schuldgevoel, leegte, machteloosheid en verlangen vullen de ruimte, maken kontakt met mijn ziel. Wat ik achter me wilde laten, neem ik in de mond.
‘Een goede vriend van mij is net overleden. We hebben hem gisteren herdacht.’
De aandacht verplaatst zich van haar-die-alles-teveel-is naar haar-die-haar-hart-mag-luchten. Onverwacht word ik omringd door een schaal van aandacht, reikend naar iets dat rouw overstemt. In de schaal van openharten neem ik de praatstok aan en kruip in de huid.

De moeder van John was er niet. Ik wilde zo graag even bij haar zijn, haar voelen. Ik was er ook bang voor. De weg naar haar flatje was opgebroken aan weerskanten, geen auto kon erdoor. Ik liep naar de flat, terwijl Man een parkeerplek zocht. Ik zag haar naam, haar nummer, haar bel. Mijn vinger aarzelde voor het witte knopje. Iemand kwam de flat uit, zonder bel was ik binnen. Hal door, trap op, een gang, haar huis. De gordijnen waren dicht. De zachte voetstap van Man stond stil achter mij. Ik belde aan. Geen gerucht.
Misschien sliep ze. Misschien was ze weg. Misschien hield ze zich stil.
‘Wie is daar?’ Een beverige stem, die ik uit duizenden herken.
‘Anneke…’ mijn naam uit de tijd toen John nog Sjonneke was. 
‘Anneke?’ Ik hoor de klank van verleden, muziek in mijn oren, klarinet en trompet, vakanties met bruggen en ravijnen, bloedende voeten op rotsige bodem, de geur van gebakken eitjes in Blue Band.
Eindelijk heeft ze de sleutel van het haakje, in het slot, en omgedraaid, een klein en dapper wijffie van 92, de moeder van Sjonneke van Buren, tante Rijntje, de engel uit mijn kindertijd. Ze slaat haar armen om mijn navel, maakt zich los, bruusk, en loopt door de gang naar de kamer naar de bank waar ze dwars op gaat zitten, de benen languit erop. Aan haar voeteneind staat een grote leunstoel, waarin een ander oud vrouwtje weggekropen zit.
‘Dat is mijn vriendin, ze is ook 92 en ze heeft hetzelfde meegemaakt. Ze weet precies wat ik meemaak. Ze is de hele dag bij me geweest. Zonder haar had ik het niet gered…’
Haar wijze grijze hartsvriendin glimlacht weemoedig en knikt geruststellend. Ik kniel naast de bank, naast Rijntje van Buren, moeder van John. Ik sla mijn arm om haar broze schouder.
‘Ik ben van de week al twee keer in mekaar gezakt. Ik dacht als ik er bij ben, zak ik in elkaar en kom nooit meer overeind…’
Vragen spatten uit de ogen van de moeder.
‘Hoe was het? Hebben ze nog geklapt voor John?’
Verdriet laat zich zachtjes overstemmen door verhalen over goede afloop van onvermijdelijke dingen die gebeuren moeten. Ik verhaal de mooie beelden van John, hoe helder zijn stem weerklonk, hoe ontroerend en liefdevol, troostend en schrijnend.
De volgende hartekreet zoekt de uitgang.
‘Kwam Kilke er goed uit? Ze wou vragen om een laatste applaus voor John…’
‘Kilke deed het geweldig. Ze ging ervoor staan en we barstten los in applaus ….’
Alles is gezegd, alles is gedaan, alles is volbracht naar de wens van John. De tranen komen los, bij haar, bij mij, het moment van omslag, het moment dat de sok binnenstebuiten wordt gekeerd…
Rijntjes handen gaan naar haar hart, en met de handen op haar hart drogen de tranen.
‘John heeft mij overal naartoe gesleept, al zijn optredens droeg hij mij… nu draag ik hem, hij is niet weg, John is hier…’

Ik ben terug bij vrouwen onder elkaar.
We gaan schilderen in de geest van Hundertwasser, Friedensreich Regentag Dunkelbunt Hundertwasser.
Karen loodst ons naar haar keuken, loodst ons naar het spoor van Hundertwasser, de lijn die nooit recht is, maar stroomt en buigt en golft tot bomen, huizen, gezichten, spiralen, landschappen, de levendige wereld die ons omringt en in ons zit. We laten onze levenslijnen stromen over ons papier, zachtjes maar zeker fleuren we op in onze tweede huid.
Ik droom langs draden van leven en dood de grens waar sprookjes huizen.

droomstad – anne vellinga

10 thoughts on “Leven na de dood

  1. Kees Versluis

    Anne,

    je zei het al toen ik het vroeg aan jou: “Schrijven hè?”
    “Ik moet het eerst verwerken zei je”.
    En dan schrijf je ontroerend mooi wat er omgaat in dat lieve vrouwtje.
    Ze was er inderdaad bijna altijd bij en wij vonden dat het ook zo hoorde.
    Kilke, leven na de dood.
    Ze mag zo trots zijn op haar vader.
    En jouw moeder op jou,

    liefs

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *