Tweede huis (5) – Voortekenen

‘Hoorde jij dat ook Kees?’
‘Wat?’
‘Die plof!’
‘Niet echt.’
Dus wel.

Er komt beweging naast me. Dwars door het donker zie ik dat hij zijn arm uit het bed steekt. Hij doet zijn bedlampje aan, zo’n schattig antiek lampje op een houten voet met een blauw geruit kieltje alias lampenkapje. Het komt langzaam op gang, niet van ouderdom maar van nieuwigheid. Er zit een energiezuinig lampje in en dat is te zien aan het tempo waarmee het zichzelf aan het licht brengt. Knetterend.
‘Huh, wat heeft dat lampje nou. Hij zou 20 jaar meegaan.’
Tot het einde onzer dagen in het Fichtelgebirge, zolang als Man ons hier ziet zitten. Terwijl het lampje knetterend op gang komt, kijk ik de slaapkamer rond op spoken en ander wild. In de schemer vallen schaduwen groot uit. De neus van mijn man is toch al markant, maar als schaduw…
En dan begint het knetteren pas echt. Er komt rook bij, een wolk zo groot als een vuist, gevolgd door  een wolk zo groot als een baby. Een geluid als een zucht en donker is het. Stikdonker.
Mijn haren staan overeind, Man komt in zijn geheel overeind. Ik voel het aan het trekken van het dekbed.

‘Wat een stank! Daar moet ik dan in slapen. Gaan we morgen naar huis, wil ik slapen, hebben we stank.Vanmiddag met die tegelkachel en nou weer met die lamp. Grrr. Zal er toch een nieuw dak op moeten en ik wou wachten tot die Duitse bouw eindelijk ook eens instort. Die uitgekookte dakdekker met zijn 20.000 euro. Maar ja, dat vochtprobleem rukt op. De schoorsteen, de bedrading. Anders ga ik zelf het dak maar op. Maar nu niet.’
Man is en blijft zichzelf onder alle omstandigheden, geruststellend praktisch en ook nog financieel expert. Hij heeft een manco, hij vertelt niet wat ik wil weten. Dat moet ik eruit trekken. 

‘Wat was dat met de kachel?’
‘Niks. Een beetje rook.’
Mijn haren waren net gezakt van zijn rustgevende rekensom, daar staan ze weer recht omhoog.
‘Rook? Waar?’
‘Hm. Overal.’
‘Daar heb ik niks van gemerkt!’
‘Toen zal jij bij Waltraud.’
‘Dat vertel je toch als ik terugkom!’
‘O, dat wist ik al niet meer.’
Dat is het handige van Man. Hij vergeet alles zodra het voorbij is, en dat terwijl hij geschiedenisdocent is. Misschien is hij het daarom wel geworden.
‘Je weet heus nog wel van die rook. Vertel nou!’
‘Wat is daarvan te vertellen. Middenin de nacht. Ik moet morgen 750 km rijden en dan maak jij me wakker uit mijn remslaap, terwijl je weet dat ik dan niet meer kan slapen.’
‘Misschien hebben we een spook.’
‘Huh?’
‘Ik hoorde wat en toen zei jij zelf dat het zeker een spook was en toen dacht ik aan die vent met dat geweer…’
‘Vent met een geweer?’
‘Die hier in het Schwartzhaus woonde! Dat weet je toch nog wel, dat zei die vrouw toch, dat die man met zijn geweer had geschoten op zijn vrouw met baby en dat was haar verre verwant…’
‘Huh? Wat klets jij nou? Dat is gewoon verleden tijd.’
‘Dat moet jij zeggen als historicus.’
De nieuwe bewoners van de oeroude spookhut dreigen op te gaan in de stinkende rook van verstoorde rust.
Man zucht.
‘Oookeee… Ik had die oude tegelkachel aangedaan, want ik vond het kil en ik kreeg het niet warm met de houtkachel in de keuken. Ik wou jou verrassen voor de laatste avond. Lekker warm een laatste wijntje en dat jij dan gezellig babbelt over van alles wat er gebeurd is.’
Mijn hart klapt open, ik houd van mijn man, ik smelt…

‘Had ik die kachel aan, staat het hele huis ineens vol zwarte rook. Ik denk hoe kan dit? Heeft die schoorsteenveger dat kanaal niet geveegd en daar kom ik dan achter als we weggaan en ik hem niet aan zijn ragebol hierheen kan slepen. Ik open die klep in de gang, slaan de vlammen me in het gezicht, niet normaal man, ik had zowat mijn gezicht in de fik. Ik snapte er niks van dat dat kreng zo loeide en dat die rook niet omhoog ging. Ik die klep dicht en de schuif open. Rook man, stank! Ik alle deuren en ramen open om die stomme rook weg te krijgen voor jij terug was en toen hield die rook ineens op. Dat is het goeie van zo’n schuif, dan trekt de schoorsteen als een lier de rook omhoog.’
Man weet precies hoe de dingen werken en krijgt altijd alles aan de gang. Dat is het veilige van man. Met hem erbij kan je niets gebeuren. Geen lek zo groot of hij krijgt het dicht, voor geen gat gevangen.

‘Jij denkt niet dat die rook van een spook kan komen?’
Man zucht.
‘Okee, mijn nachtrust is nou toch al naar de kloten, ik ga het bed wel uit voor jouw nachtrust. Als jij dan even het licht aandoet. Anders stoot ik me.’
Daar heeft hij me mee. Helemaal. De dappere lieverd heeft geen zin zich te stoten. Terwijl wij NOOIT ’s nachts het licht aandoen als we een plasje moeten bijvoorbeeld, want wij willen de ander niet wakker maken. Nou hoeft man er ‘s nachts ook nooit uit voor een plas, als die eenmaal in zijn remslaap zit, krijgt niets hem eruit… Ach. Mijn dappere ridder wil het licht aan voor hij eruit gaat, en zijn licht is net in rook opgegaan…

8 thoughts on “Tweede huis (5) – Voortekenen

  1. Ron Vonk

    met zo’n opbouw kan de climax alleen maar tegenvallen… waarschijnlijk een eekhoorn door de schoorsteen geklommen… PLOF…

    Reply
  2. Mieke Schepens

    wel leuk om weer bevestigd te zien, dat vrouwtjes mannetjes nodig hebben en dat niet erg vinden. Hartstikke mooi !

    Reply
  3. athy van meerkerk

    O, Anne, door al jullie gepraat is wat het dan ook was, allang weg natuurlijk.Zelf doe ik ook ‘s nachts nooit een licht aan, behalve wanneer ik een te spannende t.v.heb gekeken, dan blijft de hele nacht een lamp branden, in de voorkamer.

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *