Vrouwenlijn (7) – Lopen met mijn moeder (1)

Een van onze looptochten voert onvermijdelijk naar Nieuweschans. Nieuweschans is klein, maar voor mijn moeder en mij is het groot van betekenis. Het ligt boven in Groningen, pal bij de Duitse grens aan het kanaal.
We blijven staan op de brug en kijken over de reling naar het grauwe water.
‘Die is nieuw, ‘ zegt Aal, zoals ik mijn moeder sinds mijn achttiende noem. ‘Vroeger was er een draaibrug. Ik zie opoe nog draaien aan het wiel. Zij was bruggenwachtster, eerst hier en later in Groningen stad.’
Er klinkt trots in haar stem, die gelijk op mij overstraalt.
‘Opoe woonde op een boot.’
We kijken naar de boot die er nu ligt, een plat en bruin gevaarte met smalle ramen en waslijnen op het dek.
‘Ik ben niet vaak bij opoe geweest, Nieuweschans lag te ver van stad Groningen.’

Stil staren we over het water. Zij herinnert zich gebeurtenissen uit haar jeugd. Ik voel mijn wortels rondtasten in een duister dat ik niet ken, maar wel ervaar. Ik voel vertrouwde grond. Vrouwen met rimpelgezichten, gehuld in hoofddoeken en lange rokken ruisen door mijn geest.

‘Opoe was niet altijd aardig.’ Aal doorkruist bruusk mijn oergrond.  ‘Ik moest een keer op haar passen toen ze ziek was. Ze woonde toen al in de stad op een boot. Ik moest haar hemd uitdoen. Het zat met honderd haakjes vast op haar rug. Doodeng. Dat grauwe vel eronder. Ik was bang. Ik durfde niet meer te slapen en ben in het donker naar huis gerend. Moeke zei: ‘Dat wief is mal.’  Ik mocht bij Pa en haar in bed slapen.’

We lopen verder, de brug af, Nieuweschans in. We lopen zwijgend tot we een onderkomen vinden. Het was nog in de tijd dat dat kon. Later moesten we alles van te voren sfspreken, toen Nederland vergeven raakte van de lopers. We vinden een hotelletje op een hoek naast het spoor. De deur is open. Aal voelt zich thuis en vraagt in haar vertrouwde moedertaal of ze plek hebben voor de nacht. Naast het hotel bevindt zich een aanbouw met appartementjes. Een daarvan mogen wij. Zodra de herbergier weg is, jubelt Aal in haar eigen taal.
‘Wat een roemte!’
De nauwe roef van opoes boot is vertrokken.
Ik plof als altijd op het bed en zij gaat in de weer met voetenzalfjes en schone sokken. Na een uurtje zijn we allebei fris voor een uitstapje zonder rugzak.

Het dorp is klein en middenin dat kleine dorp staat een gigantisch bolwerk, het kuuroord. We laten het links liggen, wij kuren door het pijnlijk verleden van mijn moeder, dat hier tastbaar lijkt opgeslagen.
‘Moeke was geen lieverdje.’
Ik herinner me alle pakken slaag die mijn moeder kreeg en die mijn kinderhart doordrongen met het vaste voornemen mijn moeder nooit pijn te doen. We lopen door een smal straatje met lage huizen in de felrode baksteen, zo kenmerkend voor deze streek.
‘Moeke zat een keer achter op een kar, een op hoge ratelende wielen. Ze was er zelf achterop gesprongen, de voerman mende het paard en wist van niks De jongens van het dorp zagen dat en wilden ook achterop. Een jongen holde net zo lang op z’n klompen tot hij de achterrand vast kon pakken. Hij wou zich optrekken en toen trapte Moeke met haar klomp op zijn hand. Toen moest hij wel loslaten.’

Dat was gemeen. Dat wist ze, zo klein als ze was. Toch heeft ze het haar kinderen verteld. En die vertellen het weer door aan hun kinderen. Waarom wilde ze dat wij dit weten? Waarom deed ze het?
‘Ze kon goed leren,’ zegt Aal, ‘de onderwijzer zei dat ze makkelijk onderwijzeres kon worden. Ze mocht niet leren van opoe. Meisjes hoefden niet te leren. Die gingen trouwen en kregen kinderen.’
Aal valt stil. Ze werd zelf van de Minerva Academie gehaald toen een oom ziek werd. Iemand moest voor hem zorgen, en zij werkte niet, ze zat maar wat te tekenen op die Academie. Op zich een wonder dat ze erop gemogen had, waarschijnlijk omdat haar vader ook kunstschilder was, een natuurtalent zonder opleiding.

Ik vraag me af of de kleine Anna, zoals Moeke, mijn grootmoeder heette, op deze manier haar macht liet gelden, haar boosheid, haar opstandigheid en haar verweer. Wou laten voelen dat zij vlugger en sterker was dan welke jongen van het dorp ook. Hoezo was zij minder? Misschien was pijn doen de enige uitweg tegen de overmacht die haar weerhield te groeien naar wie ze was. Wellicht ligt hierin de kiem van het patroon dat alle vrouwen in haar lijn zou achtervolgen.

‘Toch was ze een goed mens.’
Aal heeft haar eigen spoor gevolgd.
‘In de oorlog deelde ze het laatste wat ze had met de arme stumpers om haar heen, stumpers, dat zei ze.’

9 thoughts on “Vrouwenlijn (7) – Lopen met mijn moeder (1)

    1. Anne Post author

      Dankjewel Pastuiven, blij met je feedback, het geeft vertrouwen dat ik de stroom niet hoef in te dammen….

      Reply
  1. maja

    Als jij je in gaat houden, nou dan ..dan.. dan gooi ik de PC uit het raam! Doe zo voort, ik ben biggest fan!

    Reply
  2. athy van meerkerk

    Nee, niet inhouden hoor.Ik kende mijn grootouders van moeders kant niet.Ze zeiden dat ik op Haar lijk en dat geloof ik graag.Door jouw verhalen komt hun tijd dichterbij.De tijd van nog geen emancipatie,van hard en wijs moeten zijn, zonder de liflafjes die zo vaak ons zijn kunnen vertroebelen. Ik lees je zo graag!

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *