Vrouwenlijn (9) lopen met mijn moeder (3)

Zo boeiend als Nieuweschans is, zo saai is het Grenslandpad dat erop volgt. Na vijf dagen houden wij het voor gezien bij Emmen. We hebben geen fiducie meer in grenslandpaden. Tussen Brabant en Vlaanderen bleven we nog geloven dat het leuker zou worden. Daar trappen wij niet meer in. Niemandsland is voorbij, de volgende keer doen we het Pieterpad maar weer.

We treffen elkaar op het CS van Amsterdam bij de boekenstal. Aal staat als altijd te wachten met die schichtige blik of ik haar niet ontga. Als een parachute klappen hart en armen open zodra ze me ziet. In de trein naar Groningen geeft Aal haar opgezouten emoties de vrije teugel. Wie er nu weer op het hart getrapt heeft en op haar fijngevoelige tenen. Het valt niet mee zonder ruzie door het dagelijks leven te gaan, en sinds de oorlog, Moeke en Pa is dat haar heilig voornemen. Nooit meer strijd.

In Groningen nemen we de bus naar Pieterburen. Het laatste stukje lopen we. Het zicht is helder, anders dan de vorige keer toen we dit eind november liepen, omdat we het overgeslagen hadden. Onervaren als we waren, gingen we onze eerste schreden op het lange Pieterpad richting Drenthe vanaf het station in Groningen. Maar toen we voor de laatste etappe stonden, wilden we de Sint Pietersberg niet bereiken voor we van Pieterburen naar Groningen gelopen hadden. Vandaar.

‘De vorige keer liepen we hier door de mist, Aal.’
‘Ik zag geen hand voor ogen en dacht, gaan we wel goed? Zijn we wel in Grunningen? En toen zagen we vier koppen zweven boven de mist.’
‘Dat zagen wij als mysterieus voorteken! Vlakbij kwamen er lichamen onder, vier mannen waren het, ‘Moi Wichter,’ zeiden ze. Jij veerde op en begon in het Gronings te poekelen of je hen altijd al kende.’
‘In Groningen ben ik thoes.’
En Groningen verruilde ze voor West Kapelle op haar 23ste, net getrouwd, meteen zwanger, geen idee waar het kind uit moest. Een paar dagen voor mijn geboorte bereikte het antwoord haar via een brief van haar zus Swanny ‘het komt uit hetzelfde gat waar het is ingekomen.’

We laten de zeehondjes links liggen, slapen in een onderkomen in Pieterburen en de volgende dag lopen we vol verwachting naar Winssum. Aal is uitgelaten. Haar vaderland en moedertaal komen hier samen. 
‘In Winssum zat een kunstenaarsgroep, maar Pa is daar nooit dik mee geworden, Pa ging liever zijn eigen gang. Hij moest wat verdienen voor zijn gezin met zes kinderen. Hij dacht, die rieke boeren met al hun land en vee hebben geld om een schilderij te kopen. Dus zette hij zijn ezel bij zo’n herenboerderij als daarginds en ging die schilderen. Dan kwam zo’n boer naar boeten en zag zijn eigen hoes op een doek. Dan vroeg die boer ‘wat most daar veur hebb’n’ . Dan zei Pa, van jou 100 gulden. Soms wilde die boer zijn paard er ook op, dan zei Pa dat zo’n edel dier in volle glorie moest en zo verkocht hij die boer twee schilderijen en hadden wij eten…’

‘Pa nam mij soms mee achterop de motor, een echte Harley Davidson. Dan wou hij dat ik een sjaaltje om deed, dat stond schier. Pa was een pocher en ik was zijn lievelingetje wel hoor. Of nee, dat was later, na de oorlog, toen Pa de stakingen leidde. Dan reed hij op zijn Harley Davidson met mij achterop met het sjaaltje en als Pa dan de arm omhoog deed, legden al die arbeiders het werk neer. Dan was ik wel trots op mien Pa.
Voor de oorlog nam hij me mee in zijn Fordje, wij waren de enigen met een auto. Als er dan iets speciaals was draaide Pa de motor aan. Dat ging aan de buitenkant, daar zat een slinger. Naar zijn werk ging hij op de fiets. Als Moeke kwaad was, rende ik hem voor het avondeten tegemoet en dan zei ik tegen Pa dat hij lief moest doen voor Moeke en geen ruzie moest maken, en dan zei Pa, herejuizus, is ‘t weer zo ver wicht? Dat zei hij altied.’

Aal kijkt om zich heen, het landschap in. Het bange meisje in haar verdwijnt. Ze krijgt het fiere van het avontuurlijke jongetje dat ook in haar zit. Ze wijst naar de horizon.
‘Die is altijd zes kilometer verderop, dat heeft Pa mij geleerd. Hij liet me kijken naar een boerderij dichtbij en veraf en vroeg wat mij opviel. Ik zei dat die in de verte heel klein was. ‘Goud gezien wicht,’ zei Pa, ‘dat is perspectief zien.’ Ik was beretrots op mezelf op op mien Pa, dat wij beidjes perspectief zagen, maar op de Rietveld Academie kwam ik erachter dat hij veel fouten maakte met kijken en schilderen. Maar daar wou Pa nooit van horen.’

‘Dat is vaders eigen, Aal, Jan was net zo…’
‘Jan had een goed hart voor alle mensen op de hele wereld en hij kon goed in de verte zien, maar helaas zag die man niet wat vlakbij was, zijn gezin zag hij over het hoofd.’
‘In de vakanties zag hij ons wel. Dan gingen we zwemmen en bergen beklimmen en vuurtje stoken en verhalen vertellen en zingen. Dan waren we een eenheid.’
‘Maar we gingen wel altijd zijn vogelroutes.’
We grinniken bij de herinnering.

‘Weet je nog Aal, die keer dat hij de auto in the middle of nowhere neerzette in Slowakije? Op zo’n halfverharde weg met keien waar onze auto niet tegen bestand was, we hotsten eroverheen. Nergens een mens te zien, geen hut, geen schuur. Wij dachten dat de auto het niet meer deed. Zegt Jan dat hij wacht op een notenkraker!’
‘Hij bleef maar turen naar die elektrische draden die daar nog tussen de houten palen hingen. Wat was die man daar gelukkig mee, draden waar vogels op konden zitten zonder takken die in de weg hingen. Zo kon hij ze goed zien!’
‘Wij werden ongeduldig en toen zei Jan dat die notenkraker elk moment kon komen. Toen vroeg Marco heel droog of hij een afspraak had.’
‘En toen kwamen er twee aangevlogen en gingen ook nog op die draad zitten!’
‘Wij Jan pesten dat hij helderziend was….’
‘Was het gewoon de natuur! ‘
‘De biotoop!’
‘Notenstruiken!’

Lachend komen we in Winssum. Hier staat het huis waar wij vannacht slapen bij een gastgezin, altijd een verrassing…

5 thoughts on “Vrouwenlijn (9) lopen met mijn moeder (3)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *