Vrouwenlijn (11) – lopen met mijn moeder (5)

We stappen de volgende provincie in, Drenthe. Weg is het weidse van het Groninger land, weg is de Martinitoren, weg is het Deliplein waar mijn moeder woonde in oorlogstijd. We lopen over een rul zandpad waar karren met paarden ons  tegemoet rijden en vogels ons om de oren fluiten, omhuld door bos met bomen van elk soort.

 

‘Misschien zit Swanny in het summerhoessie. We kunnen wel even bij haar langsgaan, vind je ook niet?  De vorige keer zijn we er voorbij gelopen en dat neemt ze me nog steeds kwalijk.’
Aal kan niet tegen ruzie, zelfs niet tegen onenigheid, dus wijken we eensgezind van het pad af, richting de zomerhuisjes. In het zand glimt een puntige steen. Ik herken hem en vooral mijn moeders trots.
‘Kijk Aal, zo eentje raapte jij de eerste keer op en toen zei je ‘kiek, een echte vuursteen’. Ik heb hem nog steeds en dan denk ik aan jou en ons lopen. Zullen we deze aan je zus geven? En als ze er niet is, leggen we hem op de vensterbank als bewijs dat wij er waren en zij niet.’
‘Ik vind het niet erg als ze d’r niet is. Als ze d’r wel is, vragen ze gelijk of we blijven eten en slapen en dat gaat van onze loopweek af.’
‘We zeggen gewoon dat we nog vijftien kilometer moeten lopen.’
‘Dan vragen ze waar we wezen moeten, en dat natuurvriendenhuis is vlakbij, dat weten zij ook.’
‘Dan noemen we dat adres van morgen.’
Aldus afgestemd op elkaar lopen we naar het summerhoessie.

Swanny en Bram zitten op plastic tuinstoelen voor hun houten huisje.
‘Moi wichter.’ Alsof het gewoon is dat wij voor hun neus staan, rugzak op de schouders.‘Goud dat we nog niet eten hebben. Wat willen jullie eten? Dan hoal ik het ev’n.’
‘Wie houv’n niks Bram.’
‘Bist nait wies. Wat wollst?’
Aal kijkt mij paniekerig aan. Hier komen wij niet onderuit zonder ruzie? Voor Bram terug is uit de winkel…
Zo afwezig als in gezelschap wezen kan, een oud verdedigingsmechanisme, zo aanwezig kan ik in hetzelfde gezelschap zijn, een oud overlevingsmechanisme. 
‘Pannekoeken!’
De zucht van opluchting waait door het gezelschap. De portemonnee hoeft niet getrokken, de kookkunst hoeft niet aangesproken, de tijd hoeft niet verdaan, de gastvrijheid is gewaarborgd en Bram is de man… melk en meel en ei hebben we ja in hoes en Bram gaat de pannenkoeken bakken, want Swanny heeft met hem geboft, zo’n man had Aal ook wel willen hebben, maar ja, Bram koos Swaantje, he wicht…
De drie vrouwen luisteren niet lang naar de zelfuitgeroepen geemancipeerde man. Ze nemen met vuige vrouwenblikken van ons kent ons plaats aan de plastic buitentafel. Het verleden voelt zich geroepen.
‘Waist nog Aal, dat Moeke een taart bakte in de oorlog?’

Iedereen had honger, niemand had eten, iemand was jarig en Moeke beloofde een taart. Alle kinderen van het Deliplein werden uitgenodigd en ze moesten allemaal iets meenemen wat nog in huis was. Een ei, een schepje meel, een kopje melk, een kopje bonen, een lepel suiker, een appel, een snee oud brood. Moeke mengde en roerde, kneedde en zong een toverlied van meel dat wel wou rijzen. Alles ging in een koektrommel op de kachel, deksel erop en zingen tot de taart klaar zou zijn, de lekkerste die ooit op het Deliplein gegeten is. Elk kind kreeg een goddelijk brokje en likte de vingers erbij af.

Het moment voor de vuursteen. Swanny neemt hem in haar grote vrouwenhand die zes kinderen heeft opgevoed en is gelijk weer bij Moeke.
‘Moeke had iets met stenen. Ze zocht ze en vond ze en wist er alles van, dat mens wist dingen die niemand wist, maar Pa kon schilderen en gedichten schrijven. Waist wel dat ik dat van Pa erft heb? Doe zien schilderkunst en ik zien schrijfkunst.’
Swanny loopt naar binnen, Aal knipoogt naar mij, vastbesloten nergens tegenin te gaan, geen onvertogen woord zal haar mond verlaten en dan is Swanny alweer terug met een verfomfaaid kasboekje. Ze draait het om en om. Achterin staan haar gedichten. Als een echte Kolman gaat ze staan om haar gedicht te declameren, gelijk Pa dat deed en zijn Pa en de Pa daarvan, een cabaretier avant la lettre, die op boerenpartijen op een kist ging staan en de show stal.

Swanny houdt het schriftje in haar ene hand en de hand met de vuursteen er nog in op haar hart. Ze neemt dezelfde houding aan als mijn moeder wanneer die gaat vertellen, dezelfde oogopslag die spanning oproept bij de toeschouwers, hetzelfde postuur ook, alleen is bij Swanny alles net een slag groter. Ze declameert haar gedicht met overgave, kordate  zinnen die alles zeggen en helaas voor eeuwig verloren zijn, behalve het refrein.
‘…en mien hartje doet van boenkeboenk…’

Daar komt Bram fier als een emoe, de pannenkoeken en strooppot in de handen. Hij ziet onze ogen glimmen van tranen.
‘Krieg nou wat…’

 

4 thoughts on “Vrouwenlijn (11) – lopen met mijn moeder (5)

  1. Lien Janken

    Heerlijk, weer, om te lezen… Je schrijft zo verbeeldend, iedere keer weer een innerlijke reis voor mij.

    Reply
  2. Kees Versluis

    Lieve Anne,

    ik had het zo druk dat ik nu vanaf negen levens aan het lezen ben. Ik verwachtte eerlijk gezegd dat vrouwenlijn niet gecontinueerd zou worden, maar gelukkig is dat wel zo. Op naar de volgende, heerlijk om te lezen,

    liefs Kees

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *