Vrouwenlijn 14 – Lopen met mijn moeder (8)

Ach Aal, moedertje van me, dat ik toch in jou begonnen ben… Daar zit je op je stoel voor het raam, je ogen gesloten, je adem harkerig van de schrijnende moeite lucht erin te krijgen en slijm eruit.
Wat hebben we het fijn gehad…

Flarden van al die keren dat we samen liepen, haal ik op en hang ik aan de grote klok, Aal. Begonnen we in 1992? Het lijkt zo lang geleden en toch staat het me voor de geest of het gisteren was.

Het was jouw idee. Jij had op tv een moeder gezien die tien kilometer naar haar dochter liep en dat is precies wat wij gedaan hebben, en dan geen tien kilometer maar tienduizend… Wat begon uit een vreemde drang vanbinnen, groeide uit tot een pelgrimstocht.

Elke donderdag liepen we, eerst langs de Amstel, maar al gauw werd het Waterland, van Ransdorp via Zuiderwoude, Holysloot of Uitdam naar Marken en terug, 35 kilometer.

Heen had jij het hoogste woord, terug ik, want dan kon jij geen pap meer zeggen en daar lachten wij ons slap om. Wij konden om alles lachen.

Die koe in de sloot naast de Poppendammer Gouw, alleen zijn kop stak boven water. Hoopvol keek ze ons aan met haar grote koeienogen. Hadden we eindelijk de eigenaar getraceerd in een boerderij, zaten ze te eten rond zo’n ouderwetse tafel met plastic zeil, en toen wij opgewonden van de koe vertelden, zei die boer gortdroog  ‘heeft ze de neus nog boven water?’ en at door. Wij hadden het niet meer. Maar op de terugweg liepen we wel dezelfde weg ter controle, waar we het dan ook weer om uitgierden, alleen dat woord al, controle. En ja, de koe was de sloot uit en we zagen sporen van een trekker.

En dan dat schaap in de sloot. Geen boer te bekennen, dus wij moesten hem redden. Met ons afgetobde lijf dat we net aan een wankel hek hadden opgerekt voor de laatste drie kilometer naar de stompe toren van Ransdorp waar de auto stond.

Kwam er een fietser aan in spierwit fietspak op glimmende racefiets. Wij hem aanhouden, armen wijd over het fietspad. Of hij even kon helpen dat schaap eruit te trekken. Hij stond al stil, een been op het pad, dus fiets aan de kant was een kleinigheid. Hij wou wel en wist ook  hoe.
‘Als jullie nou via dat dammetje naar de overkant van de sloot gaan, dan klap ik in mijn handen en trekken jullie hem aan wal.’
Jij gaf lik op stuk: ‘Als u dat nou eens deed, dan gaan wij klappen.’
Hij de dam over. Wij klappen. Het schaap vluchtte naar de overkant, alles volgens plan. Daar stond onze brandschone fietser, armen gespreid, kontje omhoog. Het schaap probeerde de wal op te klauteren, hij greep hem bij zijn vacht. Het schaap spartelde tegen, wij moedigden aan ‘toe maar, toe maar’ en hij hijsen aan dat loodzware, kletsnatte schaap. Joh, wat was dat schaap zwaar. En smerig. Onze fietser was een sportief man, hij zette door tot de finish en trok die drijfnatte baal wol op de kant. Hij viel zowat achterover, het schaap bovenop hem. Ons klappen ging over in applaus.
Hij stak een vinger op ten teken van geslaagde missie, wij staken de duimen op en riepen wat een geweldige vent hij was. Hij de fiets op en weg racete hij. De modder spatte eraf.
Wij keken hem na, ‘als u dat nou eens deed,’ zeiden we uit een mond. We kwamen niet meer bij van het lachen.

Bovenop onze loopdag liepen we elke lente en elke herfst een volle week een LAW. Zodra we de trein uit waren, strekte onze ziel zich uit. Het deed ons zo goed. We trotseerden alles, hagel en hitte, storm en stilte, herten en hazen, boeren en boswachters, blaffende honden en wilde koeien, schapen te water, jagende haviken, beginnende bosbrand, vogelveren, bleke botten, kromme stokken en precies hetzelfde in onze ziel.

Als wij samen liepen, dan liepen wij en alledag viel weg. Andere mensen wonnen erdoor aan glans en belang, omdat ze deel uitmaakten, even, van onze pelgrimstocht. Wij zagen hun huisje met bankstel en TV niet. We zagen hen tussen de bomen en beken tegen de achtergrond van onze eigen looptocht. We voelden dat iets van ons op hen oversloeg, zo fier als ze vertelden van hun hond, hoe slim die was en wat hij kon. Alsof ze hun hond in ons herkenden. Of hun hond hetzelfde gevoel bij hen opriep, als lopen bij ons.

We keken naar buiten en naar binnen, naar dingen van nu en van toen. Alles van twee kanten, tijd en ruimte ineen, moeder en dochter loopmaatjes door het leven. Dat was onze pelgrimage, Aal.
Wat deed het pijn dat jij gegrepen werd door Parkinson, vijftien jaar geleden.
We wankelden, maar liepen door zolang je benen je konden dragen.
En toen kwam jij met een vraag…

11 thoughts on “Vrouwenlijn 14 – Lopen met mijn moeder (8)

  1. Joa

    Wat een bijzondere relatie, door hagel, stoorm, wind en regen jullie verbondenheid gesterkt….beleefd en geleefd…en gelachen… zo mooi äan ‘de klok gehangen’ !Dank Anne!

    Reply
  2. Kees Versluis

    Lieve Anne,

    ik ben weer helemaal bij hoor. Wat een genot is het toch om dit allemaal te lezen. En wat een fabuleus geheugen heb je toch. Het verhaal van Lukkie, die ondanks alle barrières toch buiten weet te komen, grandioos was het. Ik begrijp nu de liefde van mensen voor katten beter door jouw verhaal.

    Liefs,

    Kees

    Reply
  3. Ina

    Wat leuk om te lezen! Ik heb nog dat prachtige boekje wat Alie had gemaakt van jullie wandeltochten. Ik ga het meteen opzoeken. liefs Ina

    Reply
    1. Anne Post author

      Ha Wouter, wat een verrassing! Leuk! Moet ik nog wat doen? O, ik ga naar je link….. en wie mij liefheeft, volgt mij hierin 😉

      Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *