Vrouwenlijn 16 – lopen met mijn moeder (10)

De jaren verstrijken. Het Gooi ligt achter ons. We lopen al tijden in de duinen. Hebben ons ermee verzoend, net als met de Parkinson. Driemaal daags een madopar, tweemaal per jaar naar de neuroloog. Het lichaam wordt trager en stijver, ons plezier groeit. We kennen alle boswachters en zij ons. Ze hoeven onze duinkaart niet meer te zien, vragen ons of wij nog iets gezien hebben, ja een vos, een geelgors, boomklevers, kikkerdril, nee geen brandstichters of Vandalen.
Een enkele maal treden we zelf als boswachter op. Of liever, worden wij voor boswachter aangezien, zo vergroeid zijn wij met bos en duin. Vooral Duitsers trekken spontaan hun duinkaart tevoorschijn als ze ons tegenkomen. Wij spelen graag voor boswachter, bekijken hun duinkaart, ‘In Ordnung, wohin wollen Sie gehen?’ en altijd weten we de weg naar Schoorl, Castricum, het meertje, de Berenkuil, zonder landkaart, die hebben we nooit aangeschaft.

We raken bekend met een stel gepensioneerde mariniers, slap 50, die ook elke donderdag lopen. Na elke winterstop zijn ze verbaasder dat wij nog samen lopen. Zonder winterstop.

Voor alles is een eerste keer, zo ook de eerste keer dat Aal een kabouter ziet,  bijwerking van de madopar, de parkinson, de vermoeidheid of dat het gordijn tussen de werelden slijt naarmate je lichaam dat ook doet.
Onze boskabouter woont aan de voet van een boom bovenop een duin in de buurt van Bergen aan Zee, pal tegenover een bankje. Aal ontdekt hem als ze hijgend is neergeploft naast onze aluminium thermoskannen, bekers oploscappuccino en een puddingbroodje van de warme bakker.
‘Zie jij dat ook Anne?’
‘Bedoel je die bomen?’
Ze lacht niet.
‘Ik bedoel die kabouter onder die dikke boom.’
Na enige jaren duinen en bijbehorende gewenning aan iele boompjes is deze ene boom dik te noemen.
‘Bedoel je die noesten?’
‘Ik bedoel die kabouter.’
‘Ik zie wel noesten die uitlopen in een kabouterpuntmuts.’
‘Durf jij hem aan te raken?’
Ik loop in het spoor van haar blik naar de wortel van de boom en wijs de noesten die ik zie.
‘Je gaat dwars door hem heen, dat is zijn schaduw.’
 Elke week ziet ze hem, en ik begin hem ook te zien. De deur naar diepere regionen van de ziel, gebieden onder de humor, ons kompas door het leven.

Op een keer komt ze met een warrig stapeltje papier, de zinnen en schilderijtjes van haar diepste zielenroerselen in het Gooi. Voor het eerst van haar leven vraagt ze haar dochter iets.
‘Wil jij hier een boekje van maken, Anne?’
Beduusd neem ik haar ziel in mijn hand.

En dan zit ik. Dagen. Weken.
Hoe krijg ik een boekje van dit stapeltje ongeregeld dat haar schat herbergt, haar beleving van het mooiste.
Wij zitten nog in de middeleeuwen van schrijven met een pen en schilderen met een kwast en boekbinden met de hand.

Je wilt niet weten wat je moet doen om van papiertjes een boekje te maken, de inhoud waardig. Zo’n boekje dat eruit ziet of het gedrukt is.
Kunstdruk, stevig papier, net niet wit, transparante velletjes overal tussen. Een passende titel. Monogram van de kunstenaar. Nawoord.
 
Kort en goed.
Bloed, zweet en tranen en menig vloek voor alles op zijn plaats zit. Dan alles innaaien op de oude boekbindersmanier, met naald en draad, het lukt als ik de boormachine ter hand neem om de gaatjes voor te boren.
Ik breng Aal haar de stapel boekjes.
Als het om kunst gaat, wordt mijn moeder serieus. Ze pakt de bovenste. Van buiten is niets te zien van de inhoud, geen titel, geen schrijver, stevig net-niet-wit karton. Dan het binnenblad met de titel, haar monogram waar ze met haar stijve bibberparkinsonhanden dagen over deed en haar naam die een week kostte.
voetsporen

Ze bladert door haar boekje. De bladen met haar schilderijtjes en gedichten, week na week, transparante velletjes ertussen. Haar gezicht dat 1000 gezichten kent, krijgt een nieuw gezicht, voldaan.
‘Vakwerk. Ik wist dat jij dat kon.’

Ze kan dan nog lopen, kan zelfs nog auto rijden en deelt haar boekje uit op haar sportclub Ada, op haar kunstcollectief Thoets, aan haar vrienden, aan haar familie.
Alle boekjes zijn genummerd. Nummertje 1 geeft ze aan haar dochter.
‘Voor mijn loopmaatje.’
Het boekje markeert het naderend einde van een tijdperk.

voetsporen Ali Kolman

5 thoughts on “Vrouwenlijn 16 – lopen met mijn moeder (10)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *