Aal en Alles in de wind

Het is 20 oktober, 1992, 93, 94 wie zal het zeggen. Geen wolk aan de hemel, geen storm en geen wind, geen regen of hagel, een ideale dag om te lopen. Wij lopen het Pieterpad voor de eerst keer. We zijn in Drenthe, het kan ook Limburg zijn.
Oorden en tijden vervagen, aanwezigheid blijft.

‘Vandaag zou Jan jarig zijn, Aal…’
‘Wat leuk dat jij daar ook aan denkt. Ik heb wierookstokjes bij me.’
Wierook is niks voor mijn moeder, des te bijzonderder dat ze die mee heeft. Ze blijft abrupt staan, midden op het zandpad, lichtstralen van de herfst als zwaarden uit de hemel. Rugzak af, open en zoeken.
Daar heb ik toch zo’n hekel aan. Loop je net lekker, gaat zij in haar rugzak zoeken.
‘Waar heb ik ze nou? Ik had ze nog wel zo goed opgeborgen. Ik had er thuis al aan gedacht.’
Staan we daar op een verlaten pad, amper weg, haalt zij haar rugzakje leeg: de stalen thermoskan, de blauwe regenbroek, het blauwe regenjack, ondergoed, drie paar dikke loopsokken, een zakdoek, broodje, appel, inlegkruisjes, ‘zet dat er nou niet bij Anne’, zelfs haar tandenborstel en haarkam, en uit het voorvak haar rijbewijs, ziekenfondskaart, giropasje, pleisters, compeed, nagelschaartje, zwachtel, wat al niet… en dat moet er ook allemaal weer in, keurig opgevouwen op zijn plek.
‘Dan doen we het wel zonder wierook, Aal.’
‘Ik had ook lucifers mee, ik weet het zeker. Hoe kan dat nou?’
Wat zij in de kop heeft, heeft ze niet in de kont.
‘Laat mij dan maar eens kijken schele Marie.’
Aal heeft het schurft aan troostende troetelzinnen, hulp kan ze niet velen en als er één ding is wat ze nooit, maar dan ook nooit wil, is het afhankelijkheid…

Mijn oog valt op een ritsje binnenin.
‘Had je dat geheime vakje al ontdekt, Aal?’
‘Och ja!’
Ze ritst het open, hand erin en eruit met lucifers en opgerold aluminiumfolie.
‘Zie! Ik wist het! Ik had het goed opgeborgen.’
Alles in omgekeerde volgorde er weer in, ze lijkt mijn broer wel die zijn brommer uit elkaar legde op het grasveld en altijd één moertje kwijt was.
We kunnen door, wierook en lucifers zijn veilig in Aals knuisten.

‘Nu moeten we alleen de plek nog vinden, Aal.’
‘Een beekje.’
Kom daar maar eens om in een wildvreemd bos. Maar inderdaad, mijn vader haar man hield van stromend water, liefst een beek, desnoods een rivier. Dus hebben wij alle beken en rivieren gezien van boven en van onder en opzij, want altijd kampeerden wij naast een beek, altijd woonden wij aan een rivier, desnoods de zee.

‘Waar halen we die beek zo gauw vandaan Aal?’
‘Die komt wel hoor.’
‘Komop Jan, wijs de weg!’
‘En graag dichtbij!’
‘Wie is hier de man!’
‘Wie weet altijd de weg!’
Geinend lopen we verder, links bos, rechts vlakte, heide of weiland. Even verderop nadert struikgewas met hier en daar een boom.
‘Zie je dat, Anne?’
Van opwinding versnellen we onze pas naar de bosjes. Er loopt een smal kronkelpaadje langs. Dat slaan wij in.
‘Ik hoor water.’
‘Ik zie water!’
Met de rugzak bonkend achterop rennen we naar de open plek. We blijven staan onder de eik, precies in de bocht van de beek. We klappen onze handen op elkaar.

Wij hebben nog nooit een ritueel meegemaakt, laat staan gedaan.
We beginnen met staren naar de beek. Aal is altijd van aanpakken, dus zij pakt het wierookstokje, bukt met stramme knieën, steekt het stokje in de grond, lucifer erbij, een vlam die meteen dooft. Er komt een sliertje rook van het wierookstaafje.
‘Moet ik hem nou nog weer aansteken?’
‘Volgens mij is het zo goed Aal, het is geen kaars, het is Wie Rook.’
‘Och ja…’

Okee, daar staan we onder de eik, aan de beek, bij de rokende wierook.
Iemand zal iets moeten zeggen. Iets ritueels.
‘Jan!’ Dat is Aal.
Stilte.
‘Jan! Wij staan hier om jou te groeten.’
‘En te gedenken.’
‘Want je bent jarig vandaag.’
‘En wij denken aan jou.’
‘En jij hield van beekjes.’
‘Dan bleef jij uren wachten.’
‘En moesten wij dat ook.’
‘Tot er een ijsvogeltje kwam…’
Uit de oever komt een flits, een oeverzwaluw scheert rakelings voor onze voeten over het water naar de overkant. Het water rimpelt van de ene kant naar de andere kant als een brug tussen twee oevers.
Aal knijpt mij, ik knijp Aal. We kijken of er nog meer volgt. Niet dus.
‘Jan, was jij dat?’
Boven onze hoofden beginnen de bladeren van de eik te ritselen vanaf de top tot ons hoofd, een ratelend ritselen dat ons visioenen en kippenvel bezorgt. Jan kan elk moment uit de boom vallen of opstijgen uit de beek… Bijna eng. Stilte valt als nooit.
‘Leuk hè?’ Typisch Aal om het Grote Ongrijpbare zo samen te vatten.’Dat zeggen we tegen niemand Anne, dat geloven ze toch niet.’

18 thoughts on “Aal en Alles in de wind

  1. soli

    O heerlijk, een ritueel samen met je ma en dan een ritselende reactie, dat hoort bij rituelen
    en dat geheime vakje was al een ritueel op zich…

    Reply
  2. Egbert Jan van der Scheer

    Je vader moet ook een heel verstandige man geweest zijn. Natuurlijk waren jullie je rot geschrokken als hij daar plotseling luid en duidelijk had geantwoord; ‘Ja, ik zie jullie daar wel. Wat een leuke verrassing.” Nee, hij pakte het m.i. heel subtiel en integer aan door alleen even boven jullie hoofden even door de bladeren te blazen.
    Weer heel mooi geschreven waar ik weer heerlijk van heb genoten Anne. 😀

    Reply
    1. Anne Post author

      Misschien komt het van mijn eigenaardige gevoeligheid op dit moment, maar ik kreeg ineens zo de lachkriebels van die zin van jou, Egbert ‘ja, ik zie jullie daar wel, wat een leuke verrassing!’ – ik heb je stukje wel drie keer gelezen en iedere keer moest ik weer lachen – heerlijk! had ik net even nodig, dankjewel 🙂

      Reply
    1. Anne Post author

      ach toch Edgard… als je maar weet dat ik heel blij ben met jouw aanwezigheid overal waar ik die bespeur…

      Reply
  3. jannie harmsen

    Ik geloof dat wel hoor Anne! En zoals je het beschreef, voelde ik het ook. Er ging even een rilling door me heen. Wat een fantastisch ritueel en zo mooi dat je dit wilt delen…..

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *