Krommenie-Assendelft

Het heeft even geduurd, drie jaar, maar nu ga ik naar mijn tekenvriendin in Krommenie. Half elf hebben we afgesproken, als vanouds, de periode dat we samen een kaartspel maakten. De ene keer bij mij, de andere keer bij haar. Ze woont op nog geen minuut van het station, dus kies ik de trein. Vanaf het perron kan ik de route naar haar huis dromen. Het perronnetje staat in mijn geheugen gegrift, zie perron hierboven, misschien ken jij het ook.

Voor het gemak neem ik een treinkaartje via de computer. Vertrekstation is geen probleem, maar mijn bestemming staat niet in mijn computer, hij geeft Krommenie-Assendelft. Vaag herinner ik me iets van een dubbele naam. Dat moet goed zijn, Krommenie-Assendelft. Ik neem hem.  Het kaartje en de trein. Overstappen in Sloterdijk op de sprinter. Geen probleem.

Geruisloos kom ik op mijn bestemming: Krommenie-Assendelft. Ik stap uit. De sprinter rijdt weg. Het station klopt niet. Open en winderig was het altijd al, maar het kleine stationnetje is ineens immens. Zie plaatje hieronder, heel anders!

 

En waar een rij huizen hoort, aan de overkant van het spoor, staat een groot kantorencomplex. Ik ben verkeerd. Mijn vriendin woont hier niet. Maar waar wel? Een eindje verderop staat een zwarte man, maar dan ook werkelijk roetzwart, hij glimt ervan, met zilveren mobiel en hele grote witte tanden. Ik spreek hem aan.
,,Bent u hier bekend?”
,,Nonono!’’
O.
Verder is er niemand op dit hele kale, koude, winderige perron. Waar ben ik? Woont mijn vriendin hier wel? Het lijkt me niet. Ik kan haar niet bellen, want mijn aftanse mobiel ligt thuis aan het gas, die is altijd leeg als ik hem mee wil nemen. Verderop ontdek ik een voetgangerstunnel. Als ik daar eens onderdoor ging? Misschien ligt de straat van mijn vriendin aan het eind van de tunnel. Dat schijnt normaal te zijn als je net dood bent. Je gaat een tunnel door en aan het eind is er licht. Dat hoop ik dan maar.
Niet dus. Een kale bende van grasvelden en hoge gebouwen, dat is het eind van de tunnel. Wat moet ik nu? Terug naar het station? De volgende sprinter nemen? Maar welke kant op? Een station terug of eentje verder?
Ik besluit eerst maar eens wat verder te lopen. Dat deed ik vroeger al, als ik verdwaald was. Zo ben ik wel eens heel ver verdwaald. Er kwam maar niets bekends. Maar dat was ook in een Oostblokland waar ik nooit eerder geweest was. Onze hond vond me. Ik houd van honden. Daar loop ik dus tussen de gebouwen. Op het gevaar af sprinters te missen die ik had moeten hebben.
Na een tijdje passeer ik een schoolgebouw, een of andere middelbare school, RSG. Er staat een meisje voor met een mobiel voor haar oor. Een mobieltje! Misschien heeft ze er een telefoonboek in en wil zij voor mij uitzoeken waar mijn vriendin woont. In Krommenie of elders. En graag de straat erbij. Mijn vriendin lijkt mij wel het type van een vaste telefoon.
Het meisje ziet me niet. Ze ziet haar lover aan de andere kant van de lijn. Haar blik staat fel, verlangend, gebiedend en gebelgd. Nog een hele kunst zo’n blik op te zetten. Die de lover jammer genoeg niet ziet. Hij moet het doen met de toon. Even verlangend, gebiedend en gebelgd. Dat meiske moet actrice worden. Ik sta daar maar te wachten op mijn beurt, terwijl haar onzichtbare lover iets wil dat zij niet wil, of omgekeerd. Ineens ziet ze me staan. Ze wijst met een duim over haar schouder naar de ingang van school. Terug naar de schoolbanken. Ik naar binnen.
Geen stemgeluid, geen voetgeschuifel, niets. Ze hebben de tucht er wel in, daar in dat plaatsje waar ik uitgestapt ben. Ik sta verdwaasd in een lege hal van enorme afmeting. Ergens staat een deur open. Uitnodigend zullen we maar denken. Ik ga naar binnen, een onbemand kantoortje in. Ik kijk rond of ik mezelf kan helpen aan een telefoonboek. Er staat van alles dat wijst op communicatiemogelijkheden. Een loket, een bureau, een computer, een boekenkast, een tas. Als inbreker zou ik mijn gang kunnen gaan. Ik zoek geen geld, ik zoek mijn vriendin. Ik keer het kantoor om, nergens een telefoonboek. Niet in de diepten van de kast, niet op het bureau, niet eronder. Alleen een computer. Hij staat aan op een bewegend plaatje dat moet voorkomen dat het onbemande scherm doorbrandt. Zal ik mijn vriendin googlen? Ik doe het niet. Nog niet. Eerst even verder kijken of er nog levende wezens in dit doodstille gebouw zijn, een is genoeg, iemand die de weg weet en van wanten.
Halverwege de hal die veel weg heeft van een aula waar de leerlingen streng toegesproken worden, zie ik door gepantserd glas een dame achter een computer. De beveiliging? De administratie? Ik klop op de deur.
,,Binnen!’’
Twee dames staren mij aan vanachter twee bureaus.
,,Ik zoek mijn vriendin, maar ik ben haar adres kwijt.’’
,,Weet u wel waar ze woont?’’
Een verwarrende vraag als je net gezegd hebt dat je het adres kwijt bent.
,,Ik dacht in Krommenie.’’
,,Weet u ook hoe uw vriendin heet?’’
Mijn hemel, ze denken dat ik dement ben. Op extra krasse toon geef ik de naam en vraag er pittig achteraan of ze een telefoonboek hebben.
Ja, die hebben ze. Ergens. In een kast. Na enig speurwerk komt er een geel telefoonboek voor de dag. De dame van de administratie vertrouwt mij het boek echter niet toe. Ze houdt hem stevig onder de arm geklemd en vraagt letter voor letter hoe mijn vriendin heet. Dan gaat ze zelf op zoek. En laat ze mijn vriendin nou vinden! Compleet met adres. Henri Dunantstraat, zodra ze hem opleest herinner ik me die vent van de boot met patiënten. Het ezelsbruggetje. Nummer hoef ik niet te weten, ik weet de weg als ik in de straat ben. Maar waar is de straat?
,,U gaat rechtdoor, danrechtsaf, dan linksaf, dan rechtsaf, dan links…..”
Een heel end weg.
,,Hoe kan dat nou ineens? Ze woonde altijd pal bij het station, straat oversteken en ik was er al bijna.’’
,,Bent u soms lang niet geweest bij uw vriendin?’’
Ze denken echt dat ik dement ben, en alles vergeten. Afstanden verkleinen, vergroten, vertekenen.
,,Drie jaar.’’
,,Dat dacht ik al.’’
Zie ik eruit als iemand die vriendinnen drie jaar verwaarloost?
,,Drie jaar geleden is het station verplaatst.’’
Heb ik weer.

5 thoughts on “Krommenie-Assendelft

  1. Dick Zeelenberg

    Hi Anne,

    wat een heerlijk verhaal. Zo mooi en verwarmend zoals je een situatie beschrijft waarin je terecht komt. Een situatie die je als stressvol had kunnen ervaren maar die je positief maakt. Snap nog steeds niet waarom jij niet op de voorpagina van de krant staat;)

    Reply
  2. Anne Post author

    Ha Dick, goedemorgen!
    Dank voor je spontane reactie. En van die krant snap ik zelf natuurlijk ook niet. (‘Verkeerde’ bezuiniging?) Het leuke van een Blog begin ik nu ook te ontdekken: de reacties! Fijne dag!

    Reply
  3. Engel

    Dat verzin je toch niet, dat zo’n heel station verplaatst is. Je voelt je echt in een compleet andere wereld, kan me voorstellen dat je aan jezelf ging twijfelen.Dat je nog de moed had voor een verdere zoektocht terwijl je nog geen telefoonnummer ook bij je had. Petje af.

    Reply
  4. Anneke Tanneke

    Oh wat leuk is je verhaal Anne….dat die vriendin je niet even inlichtte over die verplaatsing snap ik niet, maar waarschijnlijk dacht ze dat je niet zo lang geleden ‘t laatst bij haar kon zijn geweest! Natuurlijk genoot ik ook van al je andere verhalen. Ik ben helemaal perplex over alles wat ik heb gelezen en gezien. Verscheidene van je schilderijen vond ik erg mooi. Bij je derde oog kon ik alleen maar uitroepen….”tjee wat mooi, jemig wat mooi!…buitenaards mooi vond ik hem. Je ziet dat je ziet. En ik bedoel niet het spelletje ik zie ik zie wat jij niet ziet….maar jij ziet het; en je ziet in alles een mogelijkheid om er iets van te maken! Echt een geweldig gebeuren…je hele blog en ook je mozaieken ….en……liefs van de toverheks.

    Reply
    1. Anne Post author

      Wat een warm bad! En je zet me aan het denken ook, dat ik zo aanwezig wezen kan, dat drie jaar geleden gisteren lijkt! Mooi staaltje van de relativiteit waar ik toevallig gisteren in mijn Blog over schreef.

      Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *