Sinterklaas

de strijd Ali Kolman

Om met een filosofische vraag in huis te vallen: wat is werkelijkheid? Sinds  3 augustus 2008 weet ik dat niet meer. Die dag kwam mijn moeder bij ons in huis wonen en met haar Lewy Body, de vorm van dementie die bij Parkinson hoort. Tot dan leefde ik in de waan dat mijn werkelijkheid overeenkwam met die van andere mensen. Als mijn man naar de boom in de voortuin keek, dacht ik dat ik dezelfde boom zag, een haagbeuk of beukenhaag, what’s in a name? Dat veranderde toen mijn moeder begon te vertellen wat zij in deze boom zag. Zij zag helemaal geen boom. Of, wel een boom, maar dan als podium van wat zij werkelijk ziet.

Sinds deze gedenkwaardige derde augustus ziet zij jongens in deze boom.  Ze hangen aan hun armen, zitten op de takken, klimmen in de stam. Soms komen ze de boom uit en gaan liggen aan de slootkant. Een enkele keer gaan ze de sloot in. Soms tussen de eenden. Die eenden zie ik. Heeft mijn moeder dezelfde blik als Char en Ogilvie? Had ze dit altijd al? Of is het langzamerhand ontstaan? Komt het soms door de ziekte van Parkinson? Door de medicijnen? Wat weten we van medicijnen, van hersenen, van de werkelijkheid?
De afgelopen zestien maanden  zijn voor mij een leerschool in een andere werkelijkheid. Aanvankelijk maakte ik scherp onderscheid tussen wat wij allebei zagen en wat zij alleen ziet. Vooral als het beangstigende beelden waren. Marcherende soldaten, geweren, onthoofdingen en bloed. Ik dacht haar gerust te stellen door te zeggen dat ik het niet zag. Ik kon me niet voorstellen, dat dit haar juist beangstigde. Ik kon niet bevatten dat haar werkelijkheid net zo werkelijk is als de mijne. Na zestien maanden begint het tot me door te dringen. Nu ik het eindelijk begin te beseffen, ben ik om. Ik wil er alles van weten. Neem vanochtend, vijf december 2009. Mijn moeder slaapt nog. ,,Goedemorgen Aal.’’
Glimlach verschijnt. ,,Ik weet niet of ik er nog een keer aan begin.’’
Ze heeft gedroomd. Dat dacht ik vroeger ook, maar nu neem ik het serieus.
,,Waar begin je niet meer aan, Aal?’’
Aan haar gezicht zie ik dat ze woorden vist uit een domein net buiten haar bewustzijn.
,,Met een man.’’
Mijn bewustzijn voegt zich erbij. ,,Bedoel je trouwen?’’
Glimlach. ,,Wat anders?’’
Ja, wat anders?
,,Had je een man in gedachten?’’
Grote, veelbetekenende glimlach. ,,Ja.’’
Ze probeert de betreffende man op te duiken. ,,Van gisteren.’’
Deze tijdsaanduiding is het gisteren van haar werkelijkheid. Het kan haar overleden echtgenoot zijn, onze gast op zolder, of Kees, haar schoonzoon of het buurjongetje van 1933.
,,Hij heeft een mooie stem.’’ Dat zei ze toen we gisteren samen naar het Sinterklaasjournaal keken. ,,Die man heeft een mooie stem. Altijd al gehad.’’
En dan flap ik onbezonnen iets doms uit, want dat blijf ik doen. ,,Je bedoelt Sinterklaas toch niet?’’ Haar gezicht krijgt een strenge uitdrukking.
,, En waarom niet!’’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *