De heer heeft goede zin vandaag door Jacques Graus

Vandaag is mijn schrijfvriend Jacques Graus onze gastschrijver. Jacques Graus (1946) is neerlandicus en hypnotherapeut, een combi die ons meteen op het goede been zet. Jacques heeft oog voor de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Waanzin weet hij om te draaien tot de zin van waan.  Hij schrijft in alledaagse woorden over de essentie van het bestaan. Jacques heeft verschillende romans geschreven. De vluchtende Geest is zijn meest recente titel. Het idee dat eraan ten grondslag ligt, is het stoppen van het verouderingsproces met de kracht van de geest en de hulp van planten. In het stuk dat wij vandaag van hem publiceren vertelt hij over zichzelf en zijn stokoude vader.

De heer heeft goede zin vandaag

Met de klapper geopend op mijn knieën, kijk ik naar zijn schransende mond. Nog altijd alsof het Hongerwinter is en hij een onverwacht maal heeft bemachtigd. Het is de zin in zijn leven geworden. Vooruitkijken naar de volgende maaltijd. En zolang er vooruitzichten zijn is er kwaliteit van leven.
Zoals hij zijn tanden zet in zijn boterhammen, bijten mijn ogen zich weer vast in de verslagen van de afgelopen dagen, opgetekend door de dames van de Thuiszorg.
‘De heer wilde niet gedoucht worden.’ De derde opeenvolgende week al. Heb ik hen eindelijk zover dat ze hem eens in de week willen douchen en dan geven ze het na de eerste snauw van mijn vader op.
‘De heer is weer mopperig, vandaag.’ Ik kijk naar zijn ogen, terwijl hij met dezelfde gretigheid als bij de eerste hap, de laatste naar binnen werkt. Het is de blik van een vleesetende reus. Het lijkt ook geen voedsel dat hij verslindt, maar tijd! Alsof hij de tijd die hem rest in een onverhoedse hap te grazen wil nemen, zodat eindelijk dit ondermaanse en ondermaats bestaan een halt toegeroepen wordt en hij zijn plaats in de hemel mag innemen, naast mijn nu precies twee decennia geleden overleden moeder.

‘Ik begrijp er niets van wat ze hierboven met me voor hebben,’ zegt hij vaak. ‘Iedereen van vroeger is intussen al gehaald en mij laten ze hier zitten, met niets dan pijn in mijn lijf. Dement word ik niet meer, heeft de dokter gezegd. Daar ben ik te oud voor. Waar heb ik dat aan verdiend?’
Hij is weer rustig. Na een vloekgolf over zijn omgestoten kop melk.
Dan zegt hij plotseling: ‘Ik ga naar bed.’ Ik kijk op de klok. Nog geen halfzes. En reken.
‘Zal ik u ophelpen?’
‘Nee, kan ik zelf!’
Aan zijn hele lijf is te zien hoe hij om te beginnen de wil om op te staan mobiliseert. Zoals hij vroeger alle onderdelen van zijn dienstpistool schoonmaakte en in elkaar zette, om het opnieuw tot iets potentieel weerbaars te maken.
‘Waar is mijn stok?’ Zijn ogen verstarren in hun kassen, vastbesloten er nog minder mee te willen zien dan zijn visuele vermogen toelaat. Ik kijk rond. Een van zijn drie reservepoten, die in versletenheid niet voor hem onderdoen en voortdurend zoek zijn, zie ik met de krul over een stoel hangen.
‘Hier is uw kreun en toeverlaat,’ zei ik onlangs nog. Waar hij zelfs even om moest lachen. Een grap herhalen is echter geen optie. Dat stookt zijn vuurtje alleen maar op. Telkens iets nieuws verzinnen is de boodschap. Elk bezoek een geniale gedachte.
Zonder iets te zeggen, sta ik op en loop, voor hem langs – ‘Voorzichtig, godverdomme, je trapt godverdomme op mijn voeten!’ – naar de stoel en neem de toverstok in mijn handen.
‘Heb je hem?’
Ik zwaai ermee voor zijn neus.
‘Nu is het uit met dat gegodver,’ voeg ik er bestraffend aan toe.
Hij is intussen van onderop begonnen met het losknopen van zijn hemd. Het bovenste knoopje zal wel weer tot het nodige gevloek leiden.
‘Als u nóg eens godvert, ga ik u kietelen!’ verras ik zowel hem als mezelf. En voeg, na de stok tegen de tafelrand te hebben gezet, de daad bij het woord.
‘Weg, weg, verdomme,’ zwaait hij met zijn armen.
‘Weer een vloek? Dan slaat het kietelmonster nog dodelijker toe!’ En ik laat mijn vingers als een tromroffel over de zijkanten van zijn borstkas, onder zijn armen, gaan. Hij capituleert vrijwel onmiddellijk.
‘Weg, lange,’ laat hij mijn bijnaam volgen die hij allang niet meer heeft gebezigd en die alleen mijn broers voor mij in petto hebben. Hij heft zijn gezicht naar mij op. In duidelijk gespeelde angst voor nog meer kietelterreur. Mijn handen, die nog altijd zijn bovenlijf beroeren, een warm lichamelijk contact waar hij als vader nauwelijks toe in staat bleek, beginnen zich met steelse na-kneepjes terug te trekken, ervoor beducht dat ze als stiekeme liefkozingen ontmaskerd zouden kunnen worden. Hij laat het echter gebeuren, terwijl zich een verbaasde ontspanning op zijn gezicht aftekent.
Voetje voor voetje, hij heeft zijn steunkousen nog aan, loopt hij naast me op. Zoals we nog niet zo lang geleden samen buiten in het zonnetje liepen.
‘Wat zullen de mensen wel niet denken?’ zei hij toen. ‘Niets,’ antwoordde ik. ‘Hoogstens: kijk die twee zestigplussers eens!’
Zijn broek heb ik hem, onder maar één voorzichtige vloek, uitgetrokken. Ik bekijk hem eens goed, mijn bijna honderdjarige vader, in zijn onderhemd en met een dikke luier tussen zijn benen. In mijn opleiding tot therapeut leerden we hoe we cliënten konden helpen die een grote angst voor iemand hadden. ‘Stel je deze man of vrouw eens voor met een luier om. Denk dan opnieuw aan je angst.’

 Tien voor zes. Zijn kleren liggen precies waar hij ze hebben wil, zodat hij ze morgenvroeg direct kan vinden. Zijn stok ligt dwars over de commode. Naast beide andere, zie ik nu. Bij het opstaan zoekt hij meteen steun bij dit meubel en grijpt dan tegelijkertijd een van zijn houten metgezellen. Hij laat zich met zijn dikke, ingepakte bibs op het bed zakken. Een walmende geur stijgt van onder hem op, als bij bepaalde zwammen waar je per ongeluk op trapt. Hij vraagt of ik zijn voeten wil oppakken en in bed tillen. Ik voel de diep in zijn benen snijdende steunkousen, waar ik me ook niet aan waag. Dat zijn de zorgen van de Thuiszorg. Die voor hij ‘echt’ gaat slapen nog langskomt. Waarbij weer de nodige ‘godvers’ door de kamer zullen vliegen, zonder dat hij ervoor gekieteld kan worden. Zoals hij er nu bijligt, ontroert hij me meer dan ooit. En ik besluit dat ‘mijn vrouw’ maar even moet wachten op de afgesproken plek. Namen spoelen weg tussen de plooien van zijn hersenen als straattekeningen in de regen. Als zij er niet bij is, vraagt hij: ‘Is ‘je vrouw’ niet meegekomen?’ Om er meteen aan toe te voegen: ‘Nee, natuurlijk niet. Zij zal wel denken: wat moet ik bij die vervelende vent, ik ga liever boodschappen doen.’

 Ik vraag of ik hem nog een verhaaltje voor het slapen gaan zal vertellen. Hierop maakt zich een lach in hem los, zonder lachrimpels op zijn gezicht. Alsof uit zijn diepste binnenste iets opwelt wat met kracht door zijn keel en mond gestoten wil worden. Als het gehuil van een wolf. Zo lachte hij ook toen ik hem onlangs plaagde, als reactie op zijn opmerking dat ik best wat vaker zou kunnen komen, nu ik met vervroegd pensioen ben. En toch niets anders te doen heb! Ik zei lachend: ‘U, u hebt langer niéts gedaan, dan gewérkt in uw leven!’
Politiemensen mochten met 60 al met pensioen. Er ontsnapte hem toen net zo’n holle oerlach. Zo zal het Homerisch gelach begonnen zijn. Niet in de omstanders, maar juist in de persoon om wie gelachen werd. En ik besef plots dat als mijn vader sterft op honderdjarige leeftijd, in 2012, het eind aangebroken is van een wereldtijdperk, net als bij de Maya’s. Welke rampen staan ons dan te wachten? Donderen en bliksemen laat hij het nu al!
‘De heer heeft goede zin, vandaag,’ las ik nog, voordat ik de klapper dichtsloeg.
‘Jij bent me er een,’ hikt hij. ‘Laat me asjeblief niet lachen. Ja, vertel me maar een verhaaltje.’
‘Over Klein Duimpje?’ vraag ik. Nu wordt zijn lachen pas echt lachen.
‘Ja, over Klein Duimpje.’
Voorzichtig trek ik de dekens over hem heen. Mijn ene hand laat ik rusten op zijn schouder. Met de andere strijk ik zacht over zijn hoofd. Zijn haren, waar je nooit aan mocht komen. Nu is hij enkel oor, voor die zoon van hem die op een dwaas moment in zijn leven met Klein Duimpje aan komt zetten.
En ik vertel over het kleine kereltje dat vocht tegen vadertje tijd, en op het moment dat het geen uitweg meer wist in een boom klom om ergens een lichtpuntje te ontdekken.
‘Dat deed ik ook altijd,’ fluistert hij opeens. ‘Ik klom ook altijd in een boom.’
En zie, zijn ogen vallen dicht. Terwijl uit de verte zich zijn snurken al begint aan te dienen. Zoals zijn dienstmotor, een zware Harley Davidson met zijspan, zich aandiende, waarop hij meer dan een halve eeuw geleden trots als een aap kon zitten. En waar het ongeduldige kind dat ik vroeger was, reikhalzend naar uit stond te kijken.

Zie: http://www.youtube.com/watch?v=dZoBnBg6RpU  voor de boekpresentatie van De vluchtende Geest.

 

4 thoughts on “De heer heeft goede zin vandaag door Jacques Graus

  1. bertie van loon-ermers

    Fijne gast heb je voor ons uitgenodigd, Anne!
    Hij heeft een groot inlevingsvermogen. zo te “horen”.
    Fijnbesnaarde humor en respect voor de “stok”oude mens……
    En dat voor een “Mars-mens”! 😉
    Nogmaals dank je wel en ik ga zeker een boek van hem lezen….

    Reply
    1. Jacques Graus

      Veel leesplezier, Bertie, je kunt ze lenen via de bieb, maar je kunt ook gewoon langs komen! Hoensbroek is niet zover!

      Reply
  2. Kees Versluis

    Ademloos heb ik het gelezen. Heel mooi. Slimme oplossing om het vloeken tegen te gaan. Die onthoud ik, net zoals die luier.

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *