Wonder van de nacht 2

Alles is wit. Het duurt een moment voor tot me doordringt dat ik niet in het gras zit, maar op een gladde bank in een cirkelvormige ruimte. De bank is bevestigd aan de wand en loopt rond als een donut. Ik ben niet de enige, met tussenruimte zitten meer mensen op de bank. Ik tel er tien. Ze zijn gekleed in hetzelfde zomerse wit dat ik vandaag heb aangetrokken, elk met een kleuraccent. Schuin tegenover me zit een vrouw met rode haarband in zwarte krullen, haar handen ineen voor haar buik, haar rode nagels als sluiting van een riem. De man naast haar draagt een rood petje, misschien een Ajax fan. Iemand heeft een hemelsblauwe sjaal omgeslagen en in het voorbijgaan zie ik een bruine riem rond een taille en een roze armband. Ik ben de enige die het wit met zwart heeft gecombineerd, mijn schoenen, mijn hoedje en mijn ketting. De aandacht is gefocust op de glazen tafel in het midden. ‘Alle neuzen dezelfde kant op’, denk ik en voel een glimlach om me heen. Op het tafeltje ligt een stapel zilverwerk, kostbare boeken, dat zie ik zo, twaalf in getal. Als stilte me verontrust, als ik me verloren dreig te voelen of bang, begin ik te tellen, een middel van zelfredzaamheid dat ik als kind ontdekte. Tellen stelt de daad uit, tellen als bezwering.
De wand schuift open tussen rode haarband en rode pet. Een kind verschijnt, een jongen met peentjeshaar en een sproetig gezicht, gekleed in korte broek en shirtje die vanochtend wit waren. Hij stapt over de bank of hij slaapwandelt. De wand sluit zich zacht en hermetisch achter zijn gespannen rug. Hij wankelt en valt met een zacht plofje achterover op de bank. Ik herken het plofje. De jongen opent zijn ogen en kijkt me recht aan.
‘Waar ben ik?’
Er komt geen geluid over zijn lippen en toch hoor ik hem. Stemmen gaan hier binnendoor.
‘Wees maar niet bang,’ denk ik.
‘Weet jij waar we zijn?’
‘Ik weet het niet.’ 
Ik laat mijn blik over de anderen gaan of iemand het weet. Ik vang gedachten op aan kamers, tuinen, huizen, straten, stadjes die ik tot mijn verbazing herken, Marken, Monnickendam, Edam, Enkhuizen en Medemblik, plaatsen aan de oude Zuiderzee die bekend staan om iets geheimzinnigs dat mij niet te binnen schiet.
De wand naast mij opent zich. Een sneeuwwitte gestalte schuift naar binnen, een gestalte die zich in niets onderscheidt van een mens en toch geen mens is. Ik weet waarom ik dit weet. De gedachten zien eruit als streepjescodes. De figuur is gehuld in een strak duikpak van dunne witte glansstof rondom het gehele lichaam. Alleen de ogen zijn vrij, ogen als maanlicht, koel en spiegelend. Ik weet meteen dat deze waarneming van belang is. Dit zijn wellicht maanwezens die alles spiegelen en dan hangt het van mij af hoe ik bejegend word. Ik concentreer me op liefde en voel eenzaamheid. Ik focus op warmte en krijg het koud. Dan focus ik op vertrouwen.
De gestalte buigt nu als een gespannen boog over tafel en pakt het bovenste zilverboek, voorzien van kunstig Keltisch knoopwerk. Ik knik naar de jongen in wie angst naar boven komt, bevreesd dat hij aan de beurt is.
‘Vertrouw er maar op,’ sein ik.
De gestalte draait zich naar mij en wijst de opening in de wand. Onbekende trekkracht zuigt mij aan, moeiteloos ga ik over de bank, een smalle gang in. De wand sluit geluidloos achter ons. De stilte valt op. Misschien was het hiervoor niet stil. De gestalte leidt me met onzichtbare hand de gang door. Aan weerszijden zijn deuren, herkenbaar aan een zilveren deurknop. Ik tel er vijf aan elke kant. Achterin is de elfde deur, eveneens met zilveren knop. De deur schuift geruisloos omhoog en biedt toegang tot een kleine ronde cel, evenbeeldig aan de ontvangstruimte, wit, rond, bankje langs de wand, geen glastafeltje. De gedaante neemt plaats in het midden en wijst mij op de bank. Ik schuif ongemakkelijk heen en weer. Ik zou iets willen vragen, maar woorden blijven als wolkjes in de koepel van mijn hoofd, zoals je dat wel in stripboeken ziet. De gestalte overhandigt me het zilverboek. Een korte tijdspanne zijn we verbonden door het zilverwerk, net genoeg om gewaar te worden dat het een zij is. Ik bespeur een tinkelend lachje als van een belletje, wat me gerust stelt. Zonder woorden geeft ze de opdracht het zilverwerk te lezen.
Ik leg het op mijn schoot en kijk naar het zilveren filigreinwerk. Spiralen, lemniscaten en toverknopen zuigen mijn aandacht naar binnen. Er daalt een zachte spanning in mijn wezen, ik raak verzonken in het boek, mijn levensboek.

6 thoughts on “Wonder van de nacht 2

    1. Anne Post author

      Ha Athy, ik vertel het verhaal in drie keer, anders werd het erg lang – dus gisteren het begin, vandaag deel 2 en morgen deel 3 – en gelukkig ervaar je desalniettemin dat het goed is om te lezen, dankjewel!

      Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *