Wonder van de nacht – 3

Een waaier van kleuren dwarrelt op uit mijn levensboek. Een breed panorama opent zich en toont alles wat ik net heb beleefd. Ik zie de tuin van de buren met het picknicktafeltje waar Kees en Jos en Rita en ik gezellig bijeen zijn rond de pan met Chili, het stokbrood, de waterkan en de flessen wijn. Ik zie mezelf vertellen van de workshop die ik net achter de rug heb, Arnold komt in beeld met zijn brede gebaren en Renate met warme stem ‘ik ben geboren in zonnegloren en een zucht van de ziedende zee’, daar glijdt het bootje over de lange rivier, de maan in het donker verschiet in lucht en in water, zie ik regenboogkleurige zeepbellen die de hippies blazen in de tuin waar mijn moeder broos en krakkemikkig loopt aan de hand van haar fysiotherapeut. De beelden verschijnen achterstevoren en versnellen van Hoorn over Alkmaar naar Amsterdam en Nijmegen tot West Kapelle waar ik geboren ben. Ik zie de branding, de zee en de vuurtoren, de molen waar ik ternauwernood een klap van de wieken ontweek, mijn vader met een kinderzitje aan het stuur, een klein meisje erin, een diepe kuil en ‘gottedomme’ zegt het kind, de vader schatert, de bange moeder die niet wist waar de uitgang was voor het kindje in haar buik, en het paard dat haar de dag van geboorte toefluistert dat ze een bijzonder kindje krijgt – ik voel het kloppen van haar hart, persende weeën drijven me naar de uitgang.
‘De tijd is om.’
De stem komt vanbinnen, daarbuiten is een zacht licht met de gestalte van een vrouwelijk wezen erin. Ze buigt licht voorover en pakt het levensboek uit mijn handen. Ik kom overeind. De vloer van de witte cel draait als een pottenbakkersschijf in het rond, een halve slag, een slag en staat stil. De wand schuift open en we betreden een ronde ruimte die doet denken aan een operatiekamer.
In het midden staat een behandelbank met een groot licht erboven en een kluwen van kabels en elektroden rondom. Twaalf gestalten staan langs de wand als standbeelden bij een Griekse tempel, de ogen koel als meren des doods. Ik schrik van deze gedachte en reset. Ik sta voor een nieuwe ervaring, misschien de laatste, misschien de eerste. Er is geen verschil.
De gestalten komen in glijdende beweging naar de behandelbank. Vanzelf doe ik mee als in een rijdans die naar binnen leidt. Zo staan we bijeen rond de bank. Ik word zachtjes opgetild en neergelegd. Het licht is oogverblindend. De ogen van de gestalten moeten wel beschermd zijn door vuurvaste lenzen, waardoor de blikken koeler lijken dan ze zijn.
Waarom ik? Vraag ik me af.
Het antwoord komt woordloos binnen.
‘Als kind liet je moeder je vallen. Daarom is je fontanel nooit helemaal dichtgegaan. Er komt licht uit je achterhoofd. Dat licht overbrugt afstanden, en leidt ons naar geschikte schepselen.’
Wie zijn julie en wat willen jullie?

Wij zijn de wachters
van hemel en hel
wij wiegen het donker
wij wiegen het licht
wij wiegen eeuwig
het evenwicht
wij wiegen de aarde
de zon en de maan
wij wiegen en dansen
het hele bestaan
wij zijn de wachters
van donker en licht
wij wiegen even-
en tegenwicht
 

Ik voel ijle voelsprieten mijn schedel binnen gaan. Het doet geen pijn. De opgeslagen informatie wordt gedownload. Mijn schedel baadt in stralend licht, mijn hersenen zijn transparant. Een ogenblik. Een eeuwigheid.
Mijn ogen gaan open. Het licht is gedoofd. De gestalten zijn verdwenen. Ik lig in een schaduwzaal op een harde brancard. Ik heb lichte hoofdpijn en ben duizelig. Ik ga zitten en laat mijn benen omlaag bungelen. De aderen in mijn slapen kloppen. He bloed zakt uit mijn hoofd omlaag. Ik ben nog nooit zo moe geweest. Ik wil slapen. Maar waar is mijn bed? En mijn slaapkamer? Mijn huis? Wat is de weg?
‘Volg je voeten.’ Komt het antwoord van buiten of van binnen?
Ik stap van de behandelbank. Ik ben nog wankel en zoek houvast bij de bank. Welke kant moet ik op? Nergens is een deur te bekennen. Nergens een spoor van geluid. Hoe kan ik mijn voeten volgen als ik niet weet welke kant ik op moet. Ik speur naar een luik in de vloer, een trap omhoog, een deur naar buiten. Rondom hangt schaduw die zich verdicht aan het einde. Ik schuifel naar het einde. Weerstand neemt toe met de stap, tot ik geen voet meer kan verzetten. De wand is niet van aardse stof, geen beton en geen steen, geen metaal en geen kunststof. De wand is louter energie. Ik tast met mijn handen over de muur van kracht. Ik houd dit niet vol, ik wil naar huis.
Een kolkende luchtstroom breekt door de wand en trekt me de diepte in. Ik wordt meegesleurd op een golf van energie , een onzichtbare bedding als van een glijbaann behoedt voor een smak in het Niets. In suizend tempo gaat het omlaag, zwaartekracht trekt, een S-bocht vermindert de vaart. Mijn oogleden zijn zwaar als rotsblokken. Een zachte plof. Mijn ogen veren open. In de schemering zie ik vertrouwde contouren, een witte wand, een plooiend gordijn, een bolderende voetstap, een deur gaat open. Kees de slaapkamer binnen.
‘Waar was je ineens? Wij zaten maar te wachten. Lig je al in bed.’

8 thoughts on “Wonder van de nacht – 3

  1. Kees Versluis

    Adembenemend heb ik het zitten lezen. Ik zeg nog niets, ik zou niet weten wat. Toch deel 4 of is dit het einde van het verhaal, het is nog open voor mij.

    Reply
  2. Anne Post author

    Mooi gezegd Kees, dat het nog open is voor jou.
    Overigens heb ik gisteren ruim een uur op internet filmpjes met Thaise vuurbalonnen, meteorieten, sterrenregens en andere hemelverschijnselen bestudeerd, samenmet de nuchterste Noordhollander aller tijden, Kees dus (andere Kees). Er blijken meer meldingen van oranje vuurbalachtige dingen met name boven Noord Holland en Friesland gesignaleerd te zijn, in juli en daarvoor. Ook voorgaande jaren in dezelfde periode. Augustus 2012 was nog niet in kaart gebracht. Sommige mensen hadden er filmpjes van gemaakt.

    Reply
    1. Anne Post author

      Laten we dat doen Athy! Doet me goed dat je wilt, niets zo goed als een gesprek. Ik kijk ernaar uit. Groet van Anne

      Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *