Columbo

Het stemmen zit erop. Het is mooi herfstweer. Waarom niet even los van het beeldscherm, de frisse wind in. Dat denken meer mensen. In elk geval eentje met twee honden die haar aan alle kanten omcirkelen. Wat een zenuwlijers, en dat voor hansworsten op vette poten, met doorgezakte spekbuiken, forse lobbeskoppen, afgezakte oogleden en hanglippen. De rode slijmranden van ogen en bekken weerhouden me van liefde op het eerste gezicht. Omgekeerd is het andersom. Ze zien me en zijn verliefd. Overal voel ik hun natte neuzen en kleffe lippen. De vrouw haast zich naderbij. De overeenkomst tussen hond en baas is weer eens treffend. In plaats dat ik begin over slijmranden en vetgehalte, kom ik met een ongehoord compliment.
‘Dat lijken de honden van Columbo wel.’
Met dat ik het zeg, zie ik dat dit geen leugentje om bestwil is, ze lijken er verdraaid ook nog op. Dezelfde vlekken. In plaats dat die vrouw nou eens blij is dat iemand de schoonheid onder de lelijkheid ziet, zet ze haar handen in de zij.
‘U bedoelt toch niet die vreselijke politieman met die aftanse regenjas?’
Moet zij zeggen met haar duster. In plaats dat ik gewoon rustig wegloop, zet ik mij schrap, waarbij ik een blik strenge doch rechtvaardige ogen opentrek waar de honden geen brood van lusten. Zij deinzen zenuwpezerig achterwaarts.
‘Jawel! Die bedoel ik, die slimme politieman die alles ziet ondanks 1 glazen oog.’
De vrouw in duster krimpt en dijt uit.
‘Die vent heeft maar een hond en ik heb er twee en hij laat dat beest altijd in de auto en ik loop elke dag drie keer anderhalf uur met mijn honden door dit park.’
Dagelijks viereneenhalfuur. Ter voorkoming van een vervelende toekomst met haar maak ik maar eens een grapje.
‘En u rookt natuurlijk ook geen sigaar zoals Columbo.’
Ze veert op als een hyena die mij minstens een uur wil afkluiven.
‘Nee! Ik loop met mijn honden voor mijn gezondheid, ik ben namelijk zwaar ziek. Ik heb namelijk elke week een herseninfarct.’
Op zo’n moment loopt men niet weg, maar informeert belangstellend naar de ellende. Niet nodig. Ze houdt me gretig vast met griezelverhaal.
‘Bij elke scan heb ik er zwarte stippen bij. In mijn hersens. De artsen weten niet wat het is. Ik kan elk moment neervallen.’
Ik zie het al gebeuren. Mond op mond beademing en dat met die slijmranden.
‘En wat dan?’ Mijn stem stijgt richting paniekaanval.
‘Niks! Gewoon laten liggen. Ik kom vanzelf bij en dan moet ik een spiegel.’
‘Een spiegel?’
‘Ja, een spiegel. Als ik namelijk in de spiegel kijk, zie ik een scheef gezicht en dan kijk ik hem recht, want met zo’n scheve kop wil ik niet over straat.’
Ze geeft een overtuigende demonstratie, althans, ik hoop dat het geen voorbode is. Haar mond trekt scheef, haar hoofd beeft en haar arm verlamt. Ze kijkt me strak en scheef aan, ongeveer zoals ik. Als was ik haar spiegel. Ik durf geen vin te verroeren. Op mijn schoenen rusten hondenkoppen van lood. Haar hoofd trekt bij. Het mijne ook. Tijd voor een relativerend afscheidswoordje.
‘In geval van nood hebt u de honden. Die kunnen om hulp blaffen.’
‘Die eigenwijze krengen? Die doen alleen wat ze in de kop komt. Die vette worsten worden ongehoorzaam geboren. Wat dat betreft snap ik die Columbus wel. Dat hij er maar eentje wil en hem altijd in de auto laat.’
Ze roept de honden voor de vorm en draait zich abrupt om. Zodra ze in gang is, hijsen de honden hun koppen van mijn voeten en hobbelen achter haar aan, passeren haar, omringen haar, zigzaggend van links naar rechts en van voor naar achter. Je zou zweren dat ze er een bedoeling mee hebben. Net als Columbo. Dat ze een vangnet rond haar weven.

4 thoughts on “Columbo

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *