Aal en de boot in Marken

De laatste loodjes op weg naar Marken wegen niks. Zeventien kilometer hebben we gelopen, maar met de haven in het vooruitzicht krijgen onze doorgelopen voeten vleugeltjes. Zelfs de muggen die om onze kop hangen op de dijk naar het schiereiland deren ons niet. In het begin gingen we nog wel eens door de steegjes van het dorp, maar nu nemen we het smalle klinkerpad aan de rand, links klotsend water, rechts waslijnen waaraan de was uitbundig wappert. Aal blijft staan, ik dus ook.
‘Verrek,’ haar woord als ze iets voor het eerst ziet en haar ogen uitrekt aan lange stelen, ‘zo’n waslijn wil ik ook.’
Aal is niet van het uitleggen, wel van teleurstelling… je ziet het of je ziet het niet.
Het wasgoed hangt met de punten tussen twee in elkaar gedraaide touwen zonder knijpers.
De kunst is een reactie zonder te benoemen.
‘Handig als het regent.’
Ze lacht breed, ik stel haar niet teleur, klapklap op mijn handen.

Voorbij de eerste huisjes, voorbij de grote bocht ligt de haven van Marken.
‘Wat is dat voor gefluit?’
Waar ik weg droom over petjes in de wind en een schipper die haar afgewaaide petje op haar hoofd zette de week ervoor en zij zwoer die man niet op te zoeken, ‘wat moet je met zo’n man, wat moet je op zo’n boot’, daar is zij aanwezig in de wind en hoort het vreemde fluiten, een doordringend gieren.

‘O kijk daar, die rare kerel in badjas heeft het ook gehoord.’
Ze loopt al naar de man die hangt aan een touw van de mast, gretig het avontuur tegemoet van haar dag van de week, de dag met haar dochter, de dag in de vrije natuur, de ruimte, de dag dat alles kan, de dag die altijd te kort is. Ze blijft staan waar het plankier begint, mij in haar kielzog.
‘Verrek! Dat is diezelfde kerel!’

Hij steekt zijn hand op, roept iets en komt aangesloft op afgetrapte sandalen.
‘Daar zijn jullie!’ Geen verontschuldiging voor zijn kledij, hij is wie hij is.
‘Jaaa!’ roepen wij in koor.
‘De schipper heeft zijn boot niet goed afgemeerd en nou waait die verrekte wind precies in de mast en ik word gek van dat gieren.’
Wat is dat toch met dat ‘verrekte’,  mijn vader had het over ‘verrekte kinderen’ en ‘verrekte lui’, wellicht een woord van een generatie.
‘Ik heb de koffie klaar, jullie willen toch wel koffie?’

Hij gaat ons voor in zijn ochtendjas, een slappe joggingbroek eronderuit, Aal volgt hem op de voet, wankelig, ze vindt het eng over het plankier.
Misschien heeft ze dan al de voorverschijnselen van de ziekte van Parkinson die een paar jaar later manifest wordt. Het jaar ervoor heeft ze voor het laatst de schaatsen onder gehad toen we in het Amsterdamse bos waren. Ze viel. ‘Dat doe ik nooit meer’, zei ze, ‘ik ben niet van plan mijn botten te breken. Ik neem geen risico.’
Ik  versnel mijn pas en daar, op het plankier van de haven van Marken neem ik mijn moeder voor het eerst bij de arm, op een wilde manier, zo van ‘geintje meneer Sonnenberg’.

De man blijft staan naast een enorm zeilschip met korte loopplank, hooguit anderhalve meter. Hij kijkt om, begrijpt onze ‘gein’, en steekt behulpzaam zijn hand uit naar Aal. Die grijpt hem zoals je een bonk hout grijpt, hij trekt haar de plank over en zij laat los.
‘Jan,’ zegt de man.
‘Aal.’
Ze kijkt schichtig waar ik blijf.
We zijn er nog niet. De Alberdina ligt achter het zeilschip en er is geen verbindende loopplank. Weer die reikende hand, weer dat snelle los. Aal is niet van gefleem. We lopen achter Jan naar een trapgat waar hij op haar wacht, terwijl ik Aal beet heb bij de rugzak.

Ik begin nu werkelijk te denken dat het de naderende Parkinson was en niet haar ouderdom. In die tijd vond ik het vanzelfsprekend om op onze Lange Afstandspaden aan een boer om een stoel te vragen voor mijn oude moeder, dan zag ze wit, had zere voeten of een blaar, of weet ik veel. Nooit een klacht over haar lippen, al viel ze erbij neer. Lopen met haar dochter was de mooiste tijd van haar leven, terwijl ze de Rietveld heeft gedaan en gereisd heeft naar Brazilië, Turkije, Spanje, haar caravan achter zich aan.
‘Met jou hoef ik niks anders te zijn dan mezelf,’ zei ze. ‘Met jou kan ik alles aan.’
Misschien voorvoelde ze dat de Parkinson haar pakken zou, haar lichaam zou afpakken, haar denken, haar zelfstandigheid…

‘Moeten we daarin?’
Ze wijst het trapgat en zegt het op spottende toon; wie weet hoe eng ze dat smalle, steile trapje vond. Beneden wijst Jan ons de tafel met de bank aan de wand. Wij ploffen neer, hij duikt in het vooronder een kastje in. Wij stoten elkaar aan waar we nu weer beland zijn, een donkere boot vol handige kastjes en kleine patrijspoorten, een man in een ochtendjas op slippers, kromgebogen voor een laag kastje, billen omhoog. We voelen zijn ongemakkelijke zoektocht door oude koektrommels, zakjes en doosjes. Heeft hij wel wat aan boord?
‘Willen jullie…?’
‘JAAA!’
Wij kennen de situatie, onverwacht bezoek en maar één verdroogd speculaasje in huis.
‘O, ik heb hier nog wat, willen jullie soms liever….?’
‘JAAA!’
Geef ons een verlegen man en wij steken hem veren in de kont. Jan komt lachend met twee trommels en een gekreukeld zakje. Wij eten de droge, de slappe, de kruimelige resten met kinderlijk plezier en Jan vertelt alle ins-&-outs van zijn gestrande huwelijk, zijn vroegtijdig pensioen als handenarbeidleraar en zijn plannen met deze boot: educatieve vaartochten met groepen kinderen, maar volwassenen mogen ook, wij zeker en vast!
Wij zitten knus in zijn boot en het is ongelooflijk hoe op zo’n dobberende schuit hele levens uit de notendop ontspruiten tot begrip en bevrijdende lach.
We beloven dat we vaker op de koffie komen als we in Marken zijn, en dat doen we ook.
Maar de eerste keer dat we de boot af zijn, het plankier over, op de vaste wal, is Aal weer eens ijzersterk. Als altijd jubel ik het uit van ons onverwachte avontuur, Aal onderbreekt mij.
‘Alleen jammer van die badjas.’

14 thoughts on “Aal en de boot in Marken

  1. Marjolein

    Hahaha, Anne, wat een heerlijk verhaal! Daar is de Alberdina dan toch 🙂

    Veel herkenning ook weer: ‘verrek’ is een woord dat ik zelf ook in verbazing bezig, overgenomen van mijn vader. De touwlijn (niet minder praktisch dan met knijpers als het regent 😉 ) heb ik in Drenthe leren gebruiken en ik zwoer erbij.

    Jullie wandeltochten waren en zijn goud waard!
    xxx

    Reply
  2. Egbert Jan van der Scheer

    Dat laatste regeltje trof voor mij typisch het karakter van Aal zo jij dat steeds beschrijft. Sterke mensen valt n.l. het meest de kleine nuances op en vallen daarover zonder werkelijk zich aan te storen.
    Weer een genot om mee te wandelen Anne.

    Reply
  3. jannie harmsen

    De wereld is klein. Zo kun je ineens bekende mensen tegenkomen waar je ze niet verwacht en hetzelfde geldt voor bepaalde woorden. Verrek, ik ken dat woord! 🙂

    De wandeling was pittig! 17 km. dat red ik niet. Ik ben al blij met 5 – 8 km. Maar de wandeling van jullie heb ik met gemak ‘uitgelopen’! 🙂

    Reply
  4. dimph

    Geweldig zoals je jullie belevenissen beschrijft, ik had ook zo’n moeder. Alleen was ze al vroeg ziek, maar ook zij zag de kleine dingen net als ik en zonder iets te zeggen konden we daar om gieren.
    Ik heb van je verhaal genoten Anne en liep heerlijk met jullie mee, zie de badjas met de afgezakte joggingsbroek helemaal voor me hahhahah

    Reply
  5. athy van meerkerk

    Een verhaal waar je “in” zit. Geen wandelaar maar deze wandeling ben ik mee gelopen met een lach rond mijn mond. Het klotsende water en ik voelde het plankier buigen onder mijn voeten, het geluid van de touwen tegen de mast. Je bent een schilder met woorden, zo goed als met verf. En je geeft ons Aal zo levend terug. Wat een gave.

    Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *