Iets met pedofielen – deel 2

Anne Vellinga - mixed media

Rond mijn achttiende woonde ik bij een pedofiel. Ik had niets door. Ik was gefocust op spannende jongens in Tiel en Amsterdam, tuig en hippies. Overdag had ik een simpel baantje bij Verdugt, waar ik recepten voor landbouwgif uittypte onder strikte geheimhouding. Milieubewust was ik toen nog niet. Ik leefde bij de dag en de dagen begonnen op elkaar te lijken. Ik wilde wel eens wat anders. Wat, dat was niet duidelijk. Tot ik in de krant een advertentie las waarin een documentaliste gevraagd werd voor een onderwijsinstelling in Wageningen. Ik zag me de boekenkasten al inrichten. Dat leek me veel leuker dan recepten met Aldrin en Dieldrin uittypen.

Na een korte periode in Groningen als beginnend verpleegster was ik terug bij mijn ouders en daar had ik ook genoeg van. Mijn geluk was dat mijn ouders en broer op vakantie waren en dat ik alle gelegenheid had om de daad bij de droom te voegen: ik schreef naar het kantoor in Wageningen dat ik popelde hun bibliotheek op poten te zetten. Ik kreeg per ommegaande een uitnodiging.
Vol verwachting ging ik er op de Puch van mijn broer heen, mijn lange haar wuivend in de wind, mijn minirok te kort boven de benzinetank. Het pand overtrof mijn verwachting: stenen buitentrappen, serres, roede-ramen, in één woord sprookjesachtig en dan was er ook nog een trekbel die klingelde achter de deur. Toen die openging wist ik het zeker, dit was mijn biotoop. In de deuropening stond een jonge kleurige vrouw in Indiase dracht, een zwart stipje op haar voorhoofd, een mystieke glimlach om haar mond. Later zou ik horen dat zij op haar zestiende uit India was overgevlogen naar Nederland om te huwen met een Indiase professor op de Landbouwuniversiteit. Hij haalde haar elke dag op van kantoor en dan liep ze drie passen achter haar veel oudere echtgenoot. Bij mijn kennismaking met haar zag ik alleen het sprookje en volgde haar ruisende zijden gewaad tot een hoge houten deur in de brede hang. Ze klopte zacht. Een stevige stem antwoordde dat ik binnen kon komen.
De man die oprees uit een leren fauteuil leek ook al uit een boek gestapt, eentje van Dickens: een rijzig heerschap met een fluwelen jasje en zilvergrijs haar. Hij wees me de leren fauteuil naast de zijne, waardoor ik perfect zicht had op zijn scherpe trekken, de kin, de neus, de mond. Hij ging recht op zijn doel af: of ik het juiste diploma had. Dat had ik niet. Het moment dat hij zwijgend zijn voorhoofd fronste op de manier die ik kende van mijn vader als hij mijn gedrag afkeurde, wat in die periode dagelijks voorkwam, sprong ik in de dreigende stilte met mijn enthousiasme voor mijn droombaan.  Of ik de plek mocht zien waar ik met de boeken aan de gang kon. Enigszins overrompeld ging hij me voor de brede trap op naar een zolder die mijn fantasie overtrof: een puntdak, balken en dakvensters en op de plankenvloer een chaotische berg boeken en bladen. Mijn hart sprong op, ik dook op de grond en begon meteen te ordenen in stapels tijdschriften en boeken. Op mijn hurken. In de minirok.
‘Ik heb boekenkasten nodig,’ zei ik, ‘en een bureau en een stoel.’
‘En een diploma.’ In zijn statige stem hoorde ik een lachje.

Ik werd aangenomen als zijn linkerhand, de secretaresse was zijn rechterhand. Ik was liever de linker. Op eigen houtje ging ik in werktijd naar de universiteitsbibliotheek en vroeg wat ik nodig had voor de inrichting van een bibliotheek en waar het te koop was. Ik belde de firma’s en ontving hen op zolder om de maten op te nemen. Ik voelde me de koning te rijk. Dankzij de onderwijsbladen ontdekte ik al snel een deeltijdopleiding tot documentalist in Den Haag. Ik denderde de trappen af en vroeg Kanta, de prachtige Indiase receptioniste of ik mocht bellen naar den Haag. De week erop kon ik al instromen. De opleiding was op vrijdag; voortaan kon ik de Puch op vrijdag laten staan, dan ging ik op kosten van de baas vanuit Tiel naar Geldermalsen met de trein en dan naar Den Haag waar ik met twee bussen terechtkwam in een saai leslokaal met nog saaiere lessen. Eind van de middag terug naar Tiel waar mijn moeder een kliekje voor me had bewaard. Ik zat op rozen. Punt was dat mijn broer zijn Puch miste. Daarbij was Wageningen ver en koud en het regende vaak.

Ik had een kamer nodig en snel. Dat vertelde ik in het kantoor onder mijn zolder. De volgende dag hoorde ik de trap kraken. Ik zat tussen de boeken en keek naar de deur. De klink ging omlaag en dat was voor het eerst. Ik had de bibliotheek nog niet klaar. Het was een man van beneden, een onopvallend figuur met donkere bril, dun grijzend haar en inhammen. Een grijze muis die nooit van hippies en tuig gehoord had. Hij stelde zich voor als Boekbinder, een toepasselijke naam.
Ik vroeg wat hij zocht. Zijn mond verbreedde zich tot glimlach, zijn handen zochten elkaar en toen zei hij plompverloren dat hij mijn nood begreep, de afstand, de tijd, het weer. Hij had het er met zijn vrouw over gehad. Ze woonden in een veel te grote flat in Ede want kinderen hadden ze helaas niet. Hij bood me een kamer aan voor een bedrag waar ik geen ‘nee’ tegen kon zeggen, en daar was mijn eten ook nog bij inbegrepen, ontbijt, lunch en warme maaltijd. Nu was er veel wat ik niet lekker vond, dat probleem had ik thuis ook. Alsof hij dat rook begon hij over de geweldige kookkunsten van zijn vrouw. Ze mocht scheel zijn en lelijk als de nacht, koken kon ze als de beste en boterhammen smeren ook. Dat vond ik een idiote opmerking, maar niet verontrustend. Op zich vond ik het wel makkelijk om aan tafel te schuiven, want koken had ik nooit geleerd. Hij zei dat ik me niet eenzaam hoefde te voelen en me niet zou hoeven te vervelen, want hij had een enorme tv en daar zouden we samen naar kijken, want ik was welkom in de huiskamer. In mijn eigen kamer stond al een bed voor me klaar en zijn vrouw zou die vandaag voor me opmaken. De afstand was ook geen probleem: ik kon gratis meerijden, beurtelings met hem en Bunschoten van de boekhouding.
Dat was nogal een aanbeveling, toch dacht ik geen moment aan de waarschuwingen van mijn moeder: ‘ga nooit met vreemde mannen mee, wat ze je ook beloven.’
Ook niet toen de boekhouder me in de lunchpauze aanschoot met de mededeling dat Boekbinder in een reclasseringstraject zat.

Lees andere delen:

 

23 thoughts on “Iets met pedofielen – deel 2

  1. Peter van den Broek

    Ik smul van deze verhalen Anne…..
    Tiel en Geldermalsen……. Weinig haltes verder van hier.

    Reply
    1. Anne Post author

      Aha, dus daar ergens woon jij 🙂 ~ ik ben blij dat jij van deze verhalen kunt genieten Peter, dat is een aansporing almaar dieper mijn binnenste in te gaan en te vertellen… ik dacht aanvankelijk met één blog klaar te zijn, maar er volgen er meer, meer, meer 😉

      Reply
  2. Hanny Andernach van den Bergh

    Wisten wij toen veel dat zulke mensen bestonden. Pedofielen? In de jaren zestg / zeventig wisten wij misschien wel dat er vieze ouwe mennekes bestonden maar die woonden vast niet vlak bij je. Ik ben nieuwsgierig hoe dit zo grappig begonnen verhaal afloopt Anne.

    Reply
    1. Anne Post author

      Hanny! ja, die vieze ouwe mannekes! en…. kinderlokkers, maar op mijn achttiende was ik geen kind meer… word vervolgd

      Reply
  3. Adriaan

    Dus je bent de linkerhand van een pedofiel geweest. Unieke ervaring zal dat zijn geweest. Ik wacht op de ontknoping.

    Reply
    1. Anne Post author

      Leuk jou hier te zien Adriaan, maar joh, ik was gelukkig niet de linkerhand van Boekbinder! Ik was de linkerhand van de directeur, en die was en bleef uiterst net 🙂

      Reply
  4. Marjan

    Je weet er weer een triller van te maken Anne, ik zit op het puntje van mijn stoel en voel me in je verhaal gezogen! Denk dan ook waarom niet een boek met korte verhalen van jouw hand? Lieve groet’

    Reply
    1. Anne Post author

      Wat een opsteker Marjan; wie weet is dat een goed idee, een bundel korte verhalen – eigenlijk heb ik die al zo goed als klaar 🙂

      Reply

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *